Kinderarbeid in Derde Wereld blokkeert duurzame welvaart

Frits Bolkestein zet de zaken op zijn kop, als hij zegt dat kinderarbeid bijdraagt aan de welvaart, vindt Henk Boon. Een geletterde en gezonde bevolking biedt veel betere perspectieven voor nationale welvaart.

Volgens VVD-leider Frits Bolkestein draagt kinderarbeid bij aan welvaart. Deze uitspraak deed hij in het maandblad Onze Wereld, aan de vooravond van de grote internationale conferentie over kinderarbeid die deze week in Oslo plaatsvindt. Bolkestein noemt Hongkong als voorbeeld. “Daar gebeurde dertig jaar geleden veel van wat wij verwerpelijk vinden. Toch heeft Hongkong nu een levensstandaard die hoger ligt dan de Britse.” Vrijhandel zal in zijn visie op termijn kinderarbeid overbodig maken.

Ferme, controversiële uitspraken zijn we gewend van de liberale politicus, maar met deze opvatting zet hij de zaken op zijn kop. Kinderarbeid mag voor de getroffen kinderen geboren zijn uit noodzaak, het betekent vooral de bestendiging van armoede.

De schrijnende omstandigheden waaronder veel van de wereldwijd naar schatting 250 miljoen kinderarbeiders werken en leven, zijn de laatste jaren uitvoerig in de publiciteit geweest. Bekend is dat veel kinderen niet zonder compensatie in de vorm van geld of werkgelegenheid voor volwassen werkloze familieleden de werkvloer voor de schoolbank kunnen verruilen omdat hun schamele inkomen hard nodig is. Maar dragen ze wezenlijk bij aan de welvaart?

In de landen waar veel kinderarbeid voorkomt, zijn tegelijkertijd veel volwassenen werkloos. Zouden zij niet beter kunnen bijdragen aan de welvaart zodat hun kinderen zich op school kunnen voorbereiden om pas later, en dan productiever, hun steentje bij te dragen? Kinderarbeid betekent veelal lichamelijke en geestelijke roofbouw op de kinderen die daardoor later als vroeg opgebrande en dus weinig productieve volwassenen in een maatschappij zonder sociale voorzieningen gedwongen zijn hun kinderen zelf weer te laten werken. Op macroniveau vormt het fenomeen juist een ernstige rem op sociaal-economische ontwikkeling.

Wie de praktijk van veel kinderarbeid bekijkt kan niet om de conclusie heen dat er nauwelijks sprake is van een bijdrage aan de nationale welvaart. Het vergruizelen van stenen, met de hand rollen van 'bidi's' (goedkope Indiase sigaretten) of rapen van vuil is weinig productief werk en kan alleen bij de gratie van extreem lage lonen. In geval van schuldslavernij is er zelfs helemaal geen loon.

In de exportindustrie, waar een relatief klein deel van de kinderen werkt, is de arbeidsproductiviteit van kinderen ook gering. Maar de producten uit deze industrie liggen uiteindelijk wel voor hoge prijzen in onze winkels, handgeknoopte tapijten bijvoorbeeld of handgeslepen edelstenen en sieraden. Hier worden deviezen verdiend en daarop doelt Bolkestein waarschijnlijk vooral als hij spreekt over de bijdrage die kinderarbeid levert aan de welvaart.

Het gaat dan vooral om de welvaart van de producent en tussenhandel, want de kinderen zien maar een minuscuul deel van hun arbeidsinspanningen terug in loon, of ze krijgen helemaal niets. Daarbij is het de vraag of voor de maatschappij als geheel de opbrengsten van nu opwegen tegen de schade van lage arbeidsproductiviteit op langere termijn.

Vervanging van kinderen door volwassenen in landen waar de wettelijke minimumlonen voor volwassen arbeiders maar enkele guldens per dag bedragen, zou de prijzen - bij gelijkblijvende marges van de fabrikanten en tussenhandel - overigens slechts marginaal verhogen. Een dergelijke vervanging maakt het dus helemaal niet onmogelijk om tegelijk 'geld te verdienen en de welvaart te verhogen'.

In werkelijkheid is de relatie tussen kinderarbeid en welvaart niet zoals Bolkestein veronderstelt, maar omgekeerd. De welvaart zoals we die nu in het westen kennen, is opgebouwd in de periode dat kinderarbeid tot een Dickensiaans verleden behoorde. Een over de volle breedte geletterde en gezonde bevolking biedt de beste kansen op nationale welvaart. Daarvoor is productieve participatie van de gehele bevolking nodig en niet alleen van een goed opgeleide elite en middenklasse. Voor Azië wijzen veel wetenschappers, onder wie vooraanstaande economen als Amartya Sen en Jean Drèze, en ook politici erop dat brede sociale investeringen in basisonderwijs en gezondheidszorg de basis hebben gelegd voor de economische take off in de tijgereconomieën en later in China.

Er is een duidelijke correlatie tussen economische groei en zaken als alfabetisme. Het is niet toevallig dat in de Zuid-Aziatische landen India, Bangladesh en Pakistan waar sociale prioriteiten minder aandacht kregen, de groei de laatste decennia ver is achtergebleven. Kinderarbeid, analfabetisme en ondervoeding blijven daar een omvangrijk probleem vormen. Landen waar de bevolking door goede sociale basisvoorzieningen beter is toegerust op de eisen van de wereldmarkt kunnen ook meer profiteren van de mogelijkheden die vrijhandel biedt, dan landen waar dat niet zo is.

Het belang van verplicht basisonderwijs speelt in de discussie over kinderarbeid gelukkig een steeds belangrijker rol. In de recente beleidsnotitie Kinderarbeid geeft de Nederlandse regering richtlijnen voor het ondersteunen en uitvoeren van activiteiten ter bestrijding van die arbeid. Ze stelt daarin dat “kinderarbeid getuigt van economische kortzichtigheid met schadelijke gevolgen voor de duurzame sociaal-economische ontwikkeling van landen”, al trekt ze uit deze constatering te weinig consequenties. De meeste voorstellen beperken zich tot de “meest uitbuitende vormen van kinderarbeid” zoals schuldslavernij, gedwongen arbeid, kinderprostitutie, pornografie, drugshandel en ander gevaarlijk werk, werk door zeer jonge kinderen en werk in afzondering. Wat betreft de 'minder uitbuitende vormen' moet “het uiteindelijke streven erop gericht zijn de toegang tot leren tot ten minste het vijftiende jaar voor iedereen open te stellen.”

Helaas is 'open stellen' niet hetzelfde als naar school gaan. De regering laat ook de mogelijkheden om school en kinderarbeid te combineren te nadrukkelijk open. Het niet-formele deeltijdonderwijs blijkt in de praktijk vaak zwaar en geen goede vervanger van regulier onderwijs. Ook minder 'uitbuitende' vormen van kinderarbeid leiden later tot een minder goed opgeleide en minder gezonde beroepsbevolking.

Het zou logisch zijn niet alleen tegen de meest uitbuitende vormen van kinderarbeid, maar ook tegen 'minder schadelijke' vormen een krachtig, maar constructief beleid te voeren. Dus geen handelsboycots en sancties, maar ontwikkelingssamenwerking waarin sociale voorzieningen centraal staan, bijvoorbeeld door een verdubbeling van het budget voor basiseducatie, en een handelsbeleid dat de productie van en handel in 'sociaal verantwoorde' producten ondersteunt. Uitgangspunt moet zijn dat kinderarbeid nooit en nergens wezenlijk en duurzaam aan welvaart kan bijdragen.