Kabbelende gesprekjes

Gyorgy Konrád: De oude brug. Dagboekaantekeningen en overpeinzingen uit de jaren tachtig en negentig. Uit het Hongaars vertaald door Ineke Molenklamp-Wiltink. Van Gennep, 278 blz. ƒ 49,90

Dagboekaantekeningen van een schrijver wiens werk sterk autobiografisch is, kunnen iets teleurstellends hebben. De lezer kent de beschreven gebeurtenissen immers al in een veel aangrijpender, 'echtere' vorm uit diens romans en verhalen. In zekere mate gaat dit ook op voor de nieuwe bundel van Gyorgy Konrád, De oude brug. Dagboekaantekeningen en overpeinzingen uit de jaren tachtig en negentig. Een belangrijk gedeelte van deze bundel beslaat echter een periode waarin Konrád geen nieuwe roman liet verschijnen, en laat meteen zien waarom niet: de omwenteling van 1989 dwong Konrád tot een verregaande herbezinning op zijn rol als schrijver en intellectueel. De schrijver heeft er duidelijk moeite mee.

De oude brug begint met 'overpeinzingen' over vertrouwde thema's uit Konráds werk, zoals zijn humanisme, de jodenvervolging, het leven 'in geestelijke emigratie' onder de dictatuur, het allesoverheersende belang van individuele verantwoordelijkheid en een universeel verbod op het doden van mensen. De weigering om zijn geweten te onderwerpen aan welke ideologie dan ook, door Konrád zelf wel zijn 'antipolitieke houding' genoemd, maakte hem tot een dissident bij uitstek.

Het moet een behoorlijke omschakeling zijn geweest voor Konrád: van staatsvijand tot gevierde Hongaarse schrijver die gevraagd wordt een rede te houden op de nationale feestdag. Konráds dagboekaantekeningen van na 1989 laten een man zien die zich tegen wil en dank heeft laten verleiden tot eenpublieke rol. Het resultaat is een eindeloze reeks vlieg- en treinreizen, interviews, lezingen, onderscheidingen, ontmoetingen met politici, conferenties en de verplichtingen die het voorzitterschap van de internationale schrijversorganisatie PEN met zich meebrengt. Notities hierover worden afgewisseld met al even eindeloos voortkabbelende beschrijvingen van zijn leven als huisvader, zijn vrouw en zoontjes, een nieuw huis op het platteland, en de hond van de buren.

Interessanter wordt het wanneer Konrád zich bezint op zijn nieuwe rol, en, wat voor hem daarmee samenhangt, de rol van de intelligentsia in een veranderend Europa. De dissidente schrijver heeft geen politieke functie meer: 'De literatuur is niet langer het enige terrein waar politieke devianten hun kritische geluid kunnen laten horen. Tegenwoordig kan dat gewoon in het parlement of in de krant.' Zelf wordt Konrád heen en weer geslingerd tussen actieve betrokkenheid bij Midden-Europa en zijn verlangen naar afzijdigheid: 'Ik voel niet meer de behoefte om dit land in een bepaalde richting te duwen, te prikkelen, het gaat nu toch zijn eigen weg. Zou het niet eenvoudiger zijn om me niet meer te bemoeien met dit alles?'

Maar natuurlijk kan de schrijver het niet laten om zich te bemoeien met de stand van zaken in de wereld en in Midden-Europa in het bijzonder: 'De Joegoslavische crisis maakt mij rijp voor een herziening van mijn antipolitieke ideeën.' Ondanks zijn bezorgdheid over de opkomst van het nationalisme en neofascisme in de post-communistische landen is Konrád hoopvol gestemd over de toekomst van Midden-Europa. Die toekomst ziet hij in een federatie waarbinnen de afzonderlijke staten een grote mate van autonomie hebben, vooral op cultureel gebied, maar waarin de hoogste autoriteit, en dus ook het monopolie op geweld, bij het federale gezag berust. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de intelligentsia: 'Alleen de intellectuelen beschikken over een autoriteit die de grenzen van naties adequaat overschrijdt. De intelligentsia (-) kan de weg bereiden voor de politiek door gedragscodes voor een vrije samenleving op te stellen.'

Zijn overpeinzingen en aantekeningen worden bijna nergens tot volwaardige essays, daar zijn ze te ongestructureerd en fragmentarisch voor. Konrád schrijft hier in dezelfde abrupte, associatieve stijl als in zijn romans. Met veel zinnen die volkomen op zichzelf lijken te staan. Maar wat werkt in zijn romans, wekt in een politiek-filosofische beschouwing irritatie op.

Eigenlijk ademt de bundel als geheel nog het meeste de sfeer van een gemoedelijk kabbelend gesprek onder het genot van een glas wijn, tussen de wijngaarden op de berg waar Konrád zo graag mag vertoeven. Zijn toehoorder neemt graag voor lief dat hij zichzelf nu en dan herhaalt en van de hak op de tak springt, want Konrád is een innemende gesprekspartner. Wat hem slechts rest is om, na nog een slokje wijn te hebben genomen, instemmend te knikken. Want het probleem is, dat je het zo moeilijk met Konrád oneens kunt zijn. Voor de intellectuelen tot wie hij zich hier voornamelijk lijkt te richten, bevat deze bundel weinig prikkelends. Wie wil er nou niet 'een rechtbank (-) die het gezag heeft om de leiders te vonnissen die geweld gebruiken tegen hun eigen volk en die de fundamentele rechten van de mens schenden?' Het zijn hooggestemde gedachten, maar Konrád heeft weinig aandacht voor de haalbaarheid of praktische invulling ervan, waardoor er uiteindelijk een zekere vrijblijvendheid aan kleeft. Om met hemzelf te spreken: 'Nou ja, ik kan het mooi zeggen, meer evengoed schieten ze op elkaar.'