Joke Smit: Het onbehagen bij de vrouw, 1967

Ter gelegenheid van het dertigste verschijningsjaar van 'Het onbehagen bij de vrouw' verschijnt De Gids deze maand met een dubbelnummer over 'onbehagen'. Een bundel met artikelen van Joke Smit werd in 1984 onder de titel 'Er is een land waar vrouwen willen wonen' uitgegeven. Net als de eerdere bundels, 'Hé zus, ze houen ons eronder' (1972) en 'De moeder van Marie kan meer' (1975) alleen antiquarisch verkrijgbaar.

Precies dertig jaar geleden, in november 1967, verscheen in het toen toonaangevende maandblad De Gids het artikel dat kan worden beschouwd als de start van de 'tweede feministische golf' in Nederland. De Gids gaf een themanummer uit over onbehagen, en Joke Kool-Smit (1933-1981) publiceerde daarin een lijvig stuk, getiteld Het onbehagen bij de vrouw. Het is het enige stuk dat langer is meegegaan dan het desbetreffende Gidsnummer. Tot op de dag van vandaag is het een klassieker - in vele bundels herdrukt en aan universiteiten en sociale academies nog steeds gelezen.

Waaraan dankt het die betekenis? Het onbehagen bij de vrouw is geen systematisch, helder opgebouwd stuk, het bevat geen nieuwe wetenschappelijke vergezichten en mooi geschreven is het ook niet. Integendeel: het roert een veelheid van onderwerpen aan (werk, kinderen, huwelijk, seks, abortus, anticonceptie, belastingtarieven, woningnood, schoonmaak, gelijke betaling, vrouwenrechten), die worden afgehandeld zonder de ordenende hulp van een politieke of sociale theorie. In dat opzicht verschilde Smit wezenlijk van Simone de Beauvoir, wier existentialistisch getoonzette Le Deuxième Sexe in diezelfde tijd in vertaling uitkwam, en van Amerikaanse radicaal-feministen als Shulamith Firestone en Kate Millett, die net wat later wel met uitgewerkte theorieën kwamen ter verklaring van de onderdrukte positie van vrouwen.

Smit, zoals ze zich later ging noemen, was op het eerste gezicht ook minder radicaal dan haar buitenlandse zusters. Een term als onderdrukking treffen we in Het onbehagen niet aan en tegen het huwelijk was ze ook niet. Integendeel: het mag indicatief worden genoemd voor de positie van Nederlandse vrouwen dat onze feministische pionierster zich tooide met de naam van haar echtgenoot, iets wat in die dagen in Nederland zo'n dwingend opgelegd gebruik was, dat het zelfs voor wettelijk verplicht werd aangezien. Bovendien legitimeerde Smit het buitenshuis werken door vrouwen (want werk, werk, werk was haar credo) met de stelling dat dat heel wat huwelijken zou redden. Het is een uiteenzetting die ons een blik gunt op de benauwenis van het toenmalig huiselijk leven: 'Zij heeft afstand gedaan van haar vrijheid (...). Haar arme echtgenoot verkeert nu in de situatie dat hij voor alles wat zijn vrouw heeft opgegeven compensatie moet bieden. Hij is haar leven, zij heeft dus recht op aandacht, liefde, attenties. Als hij na een dag onder de mensen alleen wil zijn, is ze beledigd; zij heeft de ganse dag geen volwassen mens gesproken. Als hij in het weekend rust wenst, is zij teleurgesteld.' Etcetera. De belangen en wensen van echtgenoten, concludeerde Smit, zouden minder strijdig zijn als hun levens wat meer op elkaar leken.

Evenmin als het huwelijk wees Smit het krijgen van kinderen af. Ze bepleitte gezinsplanning; het zou mooi zijn als vrouwen enigszins in de hand zouden hebben hoeveel en wanneer; dat kan, vervolgde ze opgewekt, want we hebben nu de pil en die koppelt 'paring los van baring' en 'de vrouw los van de konijnen'. Uit haar stuk kwam bovendien onmiskenbaar naar voren dat zij schreef vanuit haar eigen ervaring als moeder van jonge kinderen, tot wanhoop gedreven omdat ze 's avonds doodmoe is zonder dat ze overdag echt iets tot stand heeft gebracht. 'Een huisvrouw die haar leven gekoppeld ziet aan kleine kinderen beleeft een periode van regressie' en raakt afgestompt en gemakzuchtig.

Het is waarschijnlijk dit soort scherpe observaties geweest waardoor Smits stuk zo'n succes werd. Want uit de chaos aan onderwerpen en onderwerpjes die in haar Onbehagen langs trekken, spreekt - nog altijd - een enorme persoonlijke overtuigingskracht. De overtuigingskracht van iemand die wat ze beschrijft zelf kent - een privé-inventaris noemt ze het - en laat zien dat ze zich erg heeft ingespannen om woorden en argumenten te vinden voor het hevige onbehagen dat haar toch zo gewone vrouwenleven haar bezorgde, maar dat in het Nederland van die dagen als volstrekt onzinnig werd afgedaan. Ze schreef als 'intellectueel persoon en lotgenoot' en als lotgenote ook verweerde ze zich tegen vooroordelen die vrouwen maar al te goed kennen van personeelsborrels, sportkantines en familiefeestjes. 'Waarom zouden vrouwen willen werken als ze toch mannen hebben die hun brood verdienen? Denk je nu echt dat ze daar gelukkiger van worden?' Dat ongeveer was de heersende mening, en dan nog een tolerante variant daarvan, want als mannen al niet 'hun potentie koppelden aan het niet-verdienen van hun vrouwen' (maar liefst 82 procent van de Nederlandse mannen vond in 1967 dat getrouwde vrouwen niet horen te werken), werden werkende moeders wel als slechte moeders beschouwd.

Vrouwen zijn een 'kudde stofzuigervee', vatte Smit een aantal arbeidsenquêtes samen; een kudde waar personeelsfunctionarissen niets mee aankunnen, want het ontbreekt de kudde aan ambitie. Klopt, erkende Smit, die kritiek op de eigen sekse nooit schuwde. Klopt, maar daar zijn wel redenen voor. Vrouwen leren dat hun leven niet hun project is. Terwijl voor de man het huwelijk 'maatschappelijk gezien een incident is', is het voor de vrouw in dubbele zin haar levenswijze. Ten eerste omdat haar status als vrouw afhangt van het getrouwd zijn; ten tweede omdat ze met haar huwelijk ook haar verdere leven in handen legt van haar man. Zíjn inkomen en positie zijn tegelijk de hare, van háár inspanningen hangt niets af. Logisch dat vrouwen op hun werk vaak passief en ongeïnteresseerd zijn, en meisjes niet willen doorleren. Vrouwen staan door hun beperkte huiselijke rol buiten de maatschappij en dat schaadt hun geestelijke onafhankelijkheid, hun zelfrespect, hun echtelijke relatie en de opvoeding van hun kinderen.

Wie Het onbehagen herleest valt allereerst op hoeveel er de afgelopen dertig jaar is veranderd. Veel van de seksediscriminatie die Smit bestreed, is inmiddels verboden. Maar tegelijkertijd treffen de treurige taaiheid van de sekseverhoudingen en de frisheid van haar waarnemingen dienaangaande.

Joke Smit radicaliseerde na haar eerste publicatie even snel als de in die jaren opbloeiende feministische beweging. Hoewel ze in 1968 samen met o.a. de latere minister Hedy d'Ancona de emancipatievereniging Man-Vrouw-Maatschappij oprichtte, bepleitte ze op het eind van haar leven een vrouwenpartij; dat resulteerde tijdelijk in een 'Kamerbreed vrouwenoverleg'. Maar ook al stapte zij in 1971 met een opzienbarende redevoering uit de Amsterdamse gemeenteraad (ze vergeleek de politieke omgangsvormen van haar mannelijke collega's met 'de grootste pik opzetten'), de praktische politiek schuwde ze nooit. Onder de vele adviesraden en overleggen waarin zij zitting had, was de mede door haar toedoen in 1974 ingestelde Emancipatie Kommissie, voorgangster van de Emancipatieraad.

Joke Smit, van oorsprong docente Frans en sociaal-democrate, werd de moeder van het Nederlandse feminisme. Haar publicatielijst is indrukwekkend, en de tomeloze energie waarmee ze zich inzette voor de vrouwenzaak liet zelfs niet af toen ze de dodelijke ziekte kreeg waaraan ze in 1981, nog geen vijftig jaar oud, overleed. 'Ik wil dat het voor mijn dochter en mijn kleindochter beter wordt', heette haar laatste televisie-interview, uitgezonden na haar begrafenis. En het ís voor de generatie na haar beter geworden. Toen Smit haar onbehagen verwoordde had zo'n twee procent van de vrouwen met kinderen een baan, nu is dat bijna 50 procent (al gaat het daarbij nog vaak om baantjes). Maar mijn belasting betalen onder de naam waarmee ik mijn inkomen verdien, lukt nog steeds niet.