Gesprek met altsaxofonist Piet Noordijk; Met bop en bebop in het bloed

Volgende week ontvangt altsaxofonist Piet Noordijk uit handen van minister Dijkstal het eerste exemplaar van zijn cd 'Piet Plays Bird!'. “Charlie Parker is de bron van alle muziek”.

Piet Plays Bird! door Piet Noordijk Kwartet. Via Records, ƒ 30,-. Première: 7/11 De Doelen, Rotterdam. Tournee t/m 25/1. Inl.: 020-57303007. Documentaire over Piet Noordijk op 17/11 in Het Uur van de Wolf.

Het zwarte colbert spant om zijn strak gebogen schouders en lijkt om zijn spieren heen gebouwd. Het witte overhemd smetteloos. De altsaxofoon in zijn handen is zijn kostbaarste bezit, dat zie je zo.

Saxofonist Piet Noordijk (Rotterdam, 1932) speelt zomaar op een verloren zondagmiddag in Voorburg. Het is rokerig en roezig in de te kleine ruimte. Het hindert niet. De riffjes en de snelle, nerveuze wendingen van Noordijk op zijn saxofoon zijn altijd sterker dan de kringelende sigarettenrook of de flarden van gesprekken.

Rook en geroezemoes zijn Noordijk niet vreemd. Dit jaar werd hij vijfenzestig, ooit begon hij samen met zijn oudere broer Kees te spelen in de cafés en de nachtclubs van zijn geboortestad Rotterdam. Hij was toen vijftien jaar. In een café aan de Diergaardesingel kregen ze ƒ 7,50 voor een zaterdag- of zondagavond. Hij is veruit Nederlands beste muzikant op de altsaxofoon. Noordijk was eerste altist van het Metropole Orkest en solist bij de Skymasters. Nu heeft hij zijn eigen kwartet.

Van de grillige onstuimigheid van de free-jazz uit de jaren zestig keerde Noordijk terug naar de traditie van Benny Carter, Charlie Parker en de vroege John Coltrane; de bop en de bebop zitten hem in het bloed.

Zelfs als hij tijdens een optreden niet op de voorgrond treedt met een onweerstaanbaar ingezette Honeysuckle Rose of Ornithology is hij toch dwingend aanwezig. Hij staat terzijde, een en al concentratie, de Selmer-saxofoon tegen zich aan geklemd. Dan doet hij een stap naar voren, valt in. Feilloos.

In het café na het optreden drinkt men bier. Noordijk onthoudt zich van alle alcohol: hij heeft al te veel mensen in zijn vak verloren aan drugs en drank. Noordijk neemt een teug van zijn malt, zegt: “Als muzikant moet ik vitaal blijven. Als ik de sax aan mijn lippen zet, dan mag het nooit verkeerd zijn, niet net ernaast of aarzelend. De inzet is het allerbelangrijkste, die bepaalt de identiteit van de saxofonist.”

Al eerder hoorde ik Noordijk spelen, op het North Sea Jazz Festival in Den Haag, in een benauwde ruimte. Hij creëerde met zijn zangrijke fraseringen en stuwende swing ruimte om zich heen. Zijn altsaxofoon ging scherp de hoogte in, tuimelde weg in de lage registers, in een onmetelijk tempo. Wat een feest dat hij het idool van zijn vroegste jeugd, Charlie Parker, altijd trouw is gebleven.

Ouderlijk huis

Zijn nieuwe album Piet Plays Bird! is een hommage aan deze altsaxofonist. Al vanaf zijn vroegste jeugd luisterde hij naar Parker. Zijn broer Kees bewoog hemel en aarde om de felbegeerde 78-toeren platen te bemachtigen, Coleman Hawkins, Duke Ellington, Benny Carter en Parker bopten door het ouderlijk huis. Parker klonk Noordijk van meet af aan vertrouwd in de oren. “Parker is de onuitputtelijke bron van alle muziek. Ik heb zijn muziek nooit als een breuk ervaren met de eraan voorafgaande, meer ingehouden stijl van iemand als Benny Carter.”

Al jong verslaafd aan de saxofoon, begon Noordijk toch op aanraden van broer Kees met de klarinet. Met dat instrument kon je tenminste de klassieke muziek in, bij een kamerorkest bijvoorbeeld. Noordijk volgde het Conservatorium in Rotterdam, daarna kwam hij terecht bij het Rotterdams Kamerorkest. Maar hij vloog eruit toen de dirigent hoorde dat hij stiekem, en dan vooral 's nachts, jazz speelde. Noordijk kende als muzikant de nachtclubs van de havenstad Rotterdam. Aan het eind van de jaren vijftig waren die clubs beschaafder dan nu. Het vooraanstaande L'Ambassade was bij zeelui wijd en zijd bekend. Maar ook pa en moe gingen erheen, om te dansen. De zedenpolitie hield de stripteaseuses nauwlettend in de gaten. 'Artiestes' noemt Noordijk hen. Een keer moest het combo waarvan hij deel uitmaakte een meisje dat zich langzaam ontkleedde begeleiden met Ravel. Maar te ver ging ze niet.

In zo'n omgeving was de verleiding van de drank groot. Noordijk hield het op een paar biertjes, nooit whisky en al helemaal geen drugs. Hij vindt het verschrikkelijk dat zo'n genie als Charlie Parker eraan ten gronde is gegaan. Op zijn vier-en-dertigste. Verslaving maakt veel kapot en zelfs Parker erkende dat het niets met de muziek te maken had. Je ging er heus niet beter van spelen.

Benny Carter

Noordijks voorbeeld is de negentigjarige Benny Carter. Die speelt nog steeds. Gelukkig is Noordijk hem niet kwijtgeraakt. Op zijn negentigste wil hij net zo kunnen blazen als nu op zijn vijfenzestigste. Want Noordijk weet een ding zeker: naarmate hij ouder is geworden speelt hij beter dan ooit. Directer, eenvoudiger, dichter bij de melodie. Hij heeft geen verplichtingen om andere dingen te spelen dan hij wil.

In 1965 ontving Noordijk de Wessel Ilckenprijs. Met zijn kwartet, pianist Misha Mengelberg en ook drummer Han Bennink waren erbij, werd Noordijk in die tijd uitgenodigd om als enige Europeanen op te treden op het legendarische Newport Jazzfestival in Amerika. Daar stonden ze dan, in hetzelfde programma als John Coltrane en Archie Shepp. Beïnvloedden die andere muzikanten hem? “Welnee, we waren eigenwijs, we gingen onze eigen weg. Jazz kun je niet in woorden uitdrukken. Je ervaart het, het overkomt je. Ik denk er niet over na. Denkt u over uw vak na? Nee toch? Nou. Een wedervraag is toch het mooiste antwoord. Jazz is niet te benoemen.”

Met de melodische en ritmische speelstijl van Charlie Parker heeft Noordijk zich door de decennia heen vertrouwd gevoeld. Vooral dat razendsnelle en technisch volmaakte. Zonder techniek bereik je niks.

De Bird, de hoogste onderscheiding van het North Sea Jazz Festival, was dan ook ten zeerste aan Noordijk besteed toen hij hem tien jaar geleden ontving. Deze prijs is benoemd met Parkers bijnaam, Bird. Maar op gelijke voet met Parker staan, dat kan nooit. Een potje Parker toeteren is uit den boze. Noordijk speelt hem niet na van de plaat, Parker betekent voor Noordijk inspiratie. Het zit allemaal in zijn hoofd. Hij schrijft niets op. Soms vindt hij dat angstwekkend, dat hij altijd muziek hoort, meteen al bij het opstaan. Dan begint het te draaien daarboven. Melodielijnen, flarden, hoe in het heerlijke Things Ain't What They Used To Be de saxofoon na de roffel op de drums meteen vol swing moet inzetten.

Nog altijd volgt Piet Noordijk de muziek. Onder de klassieken heeft hij een voorliefde voor de romantische componisten als Ravel, Debussy, Strawinsky. House verafschuwt hij. Sting en Michael Jackson maken goede popmuziek. Zij wortelen in de blues. Alle goede popmuziek wortelt trouwens in de blues.

's Middags voor een optreden haalt Noordijk zijn saxofoon uit de met fluweel beklede koffer. Hij kijkt naar het instrument, houdt het in zijn handen, speelt wat. Het begint dan al te boppen in zijn hoofd. Als hij later op de avond erop los gaat als een dieselmotor die niet meer te temmen is, dan heeft hij dat niet voorbereid. Het gebeurt.