Er is te lang getalmd; Zesduizend schilderijen spoorloos sinds de oorlog

Van de schilderijen die tijdens de oorlog uit Nederland naar Duitsland werden gevoerd, zijn er minstens zesduizend nooit teruggevonden. Vooral van het joodse kunstbezit is weinig weergekeerd doordat er veel te laat naar werd gezocht. Vierduizend schilderijen keerden na de oorlog wel terug, maar daarbij zitten ook doeken waarvan het zeer de vraag is of ze wel uit Nederland afkomstig waren. “Kennelijk maakte zich van de kunstspeurders op het laatst een chauvinistische inhaligheid meester.”

Op 26 oktober 1945 landde een vliegtuig vol schilderijen op Schiphol. Het was het eerste van zo'n vijftig grote vliegtuig-, trein- en vrachtwagentransporten waarmee kunstwerken die tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Duitsland waren gevoerd in Nederland terugkeerden. In de pers werden de 'kunstkonvooien' triomfantelijk begroet. 'De nazi-veelvraat moet zijn buit weer afstaan', kopte een krant en er was niets dan lof voor 'onze speurders die uit alle hoeken en gaten van het Dritte Reich' de Hollandse kunstschatten 'tevoorschijn toveren'. In het voormalige hoofdkwartier van de nazi-partij in München, waar de Amerikanen een 'Art Collecting Point' hadden ingericht, was een ploeg van 'kranige en kundige mannen bezig onze kunstvoorwerpen op te sporen.' Ze 'inventariseerden en registreerden' volgens richtlijnen van de kunsthistoricus dr. A.B. de Vries, directeur van de op 11 juni 1945 opgerichte Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Dat de kranige mannen niets los wilden laten over hun opsporingswerk begrepen de journalisten wel: 'men kan niet alles aan de grote klok hangen omdat dan de toeloop der gedupeerden te groot zou worden'.

Niet bekend

Op de aangifteformulieren moest men naast een beschrijving van het kunstwerk ook invullen wie de oorspronkelijke eigenaar was, welke Duitser of Duitse instantie het in handen had gekregen en of dat door 'confiscatie, diefstal, gedwongen of vrijwillige verkoop' was gebeurd. Vooral dit laatste was belangrijk. Aan het begin van de oorlog, op 7 juni 1940, had de Nederlandse regering in ballingschap alle koopovereenkomsten met de Duitsers verboden en ongeldig verklaard. Dit besluit werd in 1943 bekrachtigd door de Geallieerden in hun zogeheten 'Joint Declaration'. In de praktijk betekende dit dat alle goederen die in de oorlog vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht na hun recuperatie in het bezit kwamen van de Nederlandse staat. Een rechtvaardiging voor deze maatregel werd ook gevonden in de redenering dat de Duitse aankopen in Nederland tijdens de oorlog een verkapte vorm van roof waren geweest. In het boek Roof, restitutie, reparatie, een uitgave van het ministerie van Economische Zaken uit 1947, wordt omstandig uiteen gezet hoe na de opheffing van de deviezengrens tussen Nederland en Duitsland, op 1 april 1941, elke Duitse aankoop in feite gefinancierd werd door de Nederlandsche Bank: de marken die de Duitsers hier tegen guldens inwisselden om daarmee te betalen, kon de bank immers niet terugwisselen.

Bij de SNK had men aanvankelijk geen idee hoeveel kunstwerken in de oorlog door handelaren, op veilingen en door particulieren vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht. Aan het begin van de oorlog hield het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming nog exportlijsten bij, maar na de opheffing van de deviezengrens in april '41 werd daarmee gestopt en was er geen enkel zicht meer op de hoeveelheid kunst die het land verliet.

Om zo min mogelijk verdwenen kunstwerken aan registratie te laten ontsnappen, vroeg de SNK alle in de oorlog gevoerde administraties van banken, kunsthandels en veilinghuizen op en vulde aan de hand daarvan zelf nogeens duizenden aangifte-formulieren in. Vervolgens werd met behulp van alle aangiftes - zo'n 20.000 in totaal - bij de diverse collecting points in Duitsland gezocht naar de bijbehorende kunstwerken.

Doordat de Duitsers de Nederlandse museumcollecties nauwelijks hadden geplunderd - Nederland zou toch opgaan in het grootduitse rijk, dus dat was niet nodig - en bijna alle kunst die uit Duitsland gerecupereerd werd voor de oorlog Nederlands privébezit was geweest, kreeg de Nederlandse staat ineens de beschikking over een enorme hoeveelheid kunstwerken: alles wat vrijwillig was verkocht en ook alles wat door de Duitsers gestolen of geconfisqueerd was en waarvoor zich geen eigenaar meldde. Eind 1947 waren met zo'n 40 transporten bijna 5000 kunstvoorwerpen teruggebracht waaronder 2400 schilderijen. Maar er zou nog veel meer terugkomen. Toen in 1952 de balans werd opgemaakt, telde men meer dan 4000 gerecupereerde schilderijen en tienduizenden meubelen, kunstnijverheidsvoorwerpen, tekeningen en sculpturen.

IJver

Toen de kunstrecuperatie omstreeks 1950 op zijn eind liep, waren de depots in de collecting points nog lang niet leeg. De Nederlandse kunsthistorici die hier in opdracht van de SNK hun speurwerk deden, konden in de voorraden niets meer vinden waarvoor in Nederland aangifte was gedaan. In hun ijver stuurden ze vanaf 1949 ook kunstwerken naar Nederland waarvan helemaal niet vaststond dat ze hier vandaan kwamen en waarvoor ook geen aangiftes bestonden. Voor deze kunstwerken maakte de SNK achteraf, na ontvangst, een soort schijnaangiftes waarop alleen het kunstwerk werd beschreven en verder achter alles het woord 'onbekend' werd ingevuld. In een enkel geval wist de SNK te melden dat een kunstwerk in de verzameling van Hitler of Göring was aangetroffen, maar vaak wist men van niets en volstond men bijvoorbeeld met de toelichting: 'Formulier gemaakt naar aanleiding van transport'.

De meeste van deze op eigen initiatief naar Nederland gestuurde werken kwamen uit de verzamelplaatsen in München en Wiesbaden, maar ook in Baden-Baden wisten de Nederlanders het nodige in de wacht te slepen. De kunsthistoricus H.L.C. Jaffé die in Baden-Baden het Nederlandse bezit moest traceren, stuurde in 1949 tientallen schilderijen op waarvan geen enkele aanwijzing bestaat dat ze uit Nederland kwamen. Voor deze kunstwerken vulden de Amerikaanse beheerders van de opslag in Baden-Baden een formulier in waarop ze alleen aangaven dat het volgens Jaffé was buitgemaakt. (“According to Jaffé: 'Loot'.”). Waar of van wie stond er niet bij.

Kennelijk maakte zich van de kunstspeurders in de collecting points op het laatst een chauvinistische inhaligheid meester. In de wetenschap dat alles wat achterbleef weer in handen van de Duitsers zou vallen, stuurde men liever teveel dan te weinig naar huis. Het 'teveel' dat zo in Nederland kwam, bestaat voornamelijk uit kunstwerken die hier ooit gemaakt zijn: typisch Hollandse kunstnijverheid als zeventiende eeuwse tegeltableaux en, afgaand op de gegevens in het SNK-archief, zo'n honderd schilderijen van Nederlandse meesters als Jan van Goyen, Adriaan van Ostade, Gerard ter Borch, Joos de Momper, Jan Steen, Albert Cuyp, A. Schelfhout en C.H.J. Leickert. De meeste van deze schilderijen bevinden zich nog altijd in de zogenaamde 'NK-collectie' (afgekort van Nederlands Kunstbezit) van het rijk, die is ondergebracht in musea en overheidsgebouwen. Zoals alle schilderijen uit deze collectie staan ook deze, door Nederland buitgemaakte doeken, zonder verdere toelichting afgebeeld in het boek Old Master Paintings, An Illustrated Summary Catalogue, samengesteld door de Rijksdienst Beeldende Kunst (Uitg. Waanders, 1992).

In opdracht van staatssecretaris Nuis wordt nu door het ministerie van OCW een onderzoek gedaan naar de herkomst van gerecupereerde kunstwerken die in het bezit zijn van het rijk. Bij de meeste werken is de herkomst en het oorlogsverleden eenvoudig terug te vinden op de aangifteformulieren in het SNK-archief. Zo zijn bijvoorbeeld vier schilderijen van Rubens uit het Museum Boijmans van Beuningen volgens de aangiftes in de zomer van 1940 door de verzamelaar Franz Koenigs vrijwillig verkocht aan de Duitse handelaar Alois Miedl die ze op zijn beurt doorverkocht aan rijksmaarschalk Göring.

Maar over de herkomst van de vele extraatjes waarmee de kunstspeurders in de collecting points de SNK op het laatst nog verrasten, was toen al niets bekend en daar zal het onderzoek van OCW nu, vijftig jaar later, weinig verandering in brengen. Waar ze vandaan kwamen, wel of niet uit geconfisqueerd joods bezit, uit Frankrijk, Italië, Polen, Duitsland of misschien toch Nederland, lijkt niet makkelijk meer te achterhalen. Het gaat misschien te ver om het onderzoek een schijnvertoning te noemen, maar een beetje nutteloos is het wel. Een onderzoek naar de werkwijze van de SNK en vooral naar het beleid bij de teruggave van kunstwerken aan de rechtmatige eigenaren - waarover ik in het tweede deel van deze serie zal schrijven - had meer in de rede gelegen.

Museale betekenis

Hoeveel kunst er ook gerecupereerd werd, er zijn veel meer kunstwerken weggevoerd naar Duitsland die nooit in Nederland terugkwamen. Dat geldt zowel voor schilderijen, sculpturen als toegepaste kunst.

Op 18 november 1946, toen de kunsttransporten in volle gang waren, schreef SNK-directeur De Vries in een nota getiteld 'Over restitutie kunst' dat 'van de kunstwerken (-) die een museale betekenis bezitten ca 80% naar Nederland is teruggekeerd. Dit is te verklaren uit het feit dat de belangrijkste kunstwerken door Hitler, Göring en andere partijleiders, alsmede door Duitse musea werden verzameld en dat aan die verzamelingen, wat het veilig stellen betreft, de grootste zorg werd besteed. Deze collecties werden dan ook voor een zeer groot deel en bloc door de oprukkende legers aangetroffen. De restitutie van deze voorwerpen was een betrekkelijk eenvoudige taak (-). Van de minder belangrijke voorwerpen (-) ligt het percentage van hetgeen naar Nederland werd teruggebracht veel lager. Op dit ogenblik kan het geschat worden op een kleine 20 %.'

In alle latere publicaties over de recuperatie van de in de oorlog weggevoerde kunst wordt deze schatting herhaald, zij het dat de 'kleine 20 %' na 1947 werd bijgesteld tot 25. Ook de Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van OCW, die zich bezighoudt met de in de oorlog verdwenen kunst, houdt vast aan deze getallen. Welke kunst 'van museale betekenis' is en wat we tot de 'minder belangrijke voorwerpen' moeten rekenen valt natuurlijk te betwisten, maar de getallen geven toch een indicatie. Het is alleen de vraag of ze kloppen.

Beperken we ons tot de schilderijen, dan zijn er zoals ik al schreef ruim 4000 naar Nederland teruggestuurd. Daarbij zitten ook de 100 doeken waarvoor geen aangifte was gedaan en waarvan het dus zeer de vraag is of ze wel uit Nederland waren weggevoerd. 6000 schilderijen, waarvoor allemaal aangifte was gedaan, zijn nooit teruggekomen. Als de percentages 80 (teruggekeerd van de belangrijke kunstwerken) en 25 (van de onbelangrijke) ook zouden gelden voor de schilderijen, leert een rekensom dat van de belangrijke schilderijen nog zo'n 500 zoek zouden zijn en van de minder belangrijke zo'n 5500. Maar dat gaat niet op. Er zijn nog veel meer dan 500 schilderijen 'van museale betekenis' zoek, naar mijn schatting minstens duizend. (Zie kader).

Wie de zesduizend aangiftes voor die nooit teruggekeerde schilderijen doorneemt, ziet al snel dat het bijna allemaal om werk van Nederlandse kunstenaars gaat. Er zijn weliswaar doeken vermist van schilders als Monet, Sisley, Tiepolo, Chardin, Goya, Canaletto, Cranach, Velázquez en andere befaamde buitenlandse schilders, maar dat zijn uitzonderingen. Bij de Nederlandse schilders zijn alle bekende namen vertegenwoordigd, vaak met meer dan een schilderij. Alleen al bij de letter B zien we schilderijen van Backhuysen, Bastert, Berckheyde, Berchem, Bles, Blommers, de Bock (15 vermiste schilderijen), Bol (6), Breitner (14), Pieter Brueghel, Jan Brueghel de Oude, Adriaan Brouwer (zo'n 20), Brekelenkam (3), Abraham van Beyeren (19) en Hiëronymus Bosch. Onbekende schilders als Buchbinder of Buisman zijn in de minderheid. Kijken we bij de letter H dan blijken er van Frans Hals nog 4 schilderijen zoek, evenals van Bartholomeus van der Helst en Jan van der Heyden. Van Hobbema en ook van Pieter de Hoogh zijn er 8 vermist, van d'Hondecoeter 10. Onder 'Hollandse school, zeventiende eeuw' vallen een paar honderd vermiste doeken.

Net als de 4000 wel gerecupereerde schilderijen zijn de 6000 die niet terugkwamen op verschillende manieren naar Duitsland verdwenen: door diefstal, gedwongen of vrijwillige verkoop, of door confiscatie. Maar bij de 6000 liggen wat dit betreft de percentages anders: veel meer werken zijn gestolen (bijvoorbeeld uit Arnhemse woningen toen de bevolking daar aan het eind van de oorlog geëvacueerd was) of geconfisqueerd. Bij de confiscaties gaat het in de meeste gevallen om schilderijen uit joods bezit. In deze categorie is ook meer werk te vinden van joodse schilders. Zo zijn bijvoorbeeld van Isaac Israëls zo'n vijftig, voor het merendeel geconfisqueerde schilderijen, nooit teruggevonden. Ook zijn er schilderijen bij van gedeporteerde joodse schilders, zoals de in Auschwitz omgekomen Salomon Garf, over wie op de aangifteformulieren onder het hoofdje 'Toelichting' te lezen valt: 'Salomon Garf werd gedeporteerd en dit schilderij werd door de S.D. uit zijn atelier meegenomen'.

Alois Miedl

Van de vrijwillig aan de Duitsers verkochte schilderijen die niet terugkeerden, zijn de meeste in de oorlog verhandeld door Alois Miedl, gevolgd door de Amsterdamse kunsthandelaren Delaunoy en Hoogendijk. De Duitser Miedl wist zich in 1940 in te dringen in de kunsthandel van Jacques Goudstikker die op 15 mei was gevlucht en op de boot naar Engeland om het leven kwam. Miedl deed gedurende de hele oorlog goede zaken met Göring. Hij verkocht hem niet alleen een groot deel van de kunstcollectie die Goudstikker had achtergelaten, maar ook honderden werken die hij tijdens de oorlog verwierf op Nederlandse veilingen en van particulieren.

Van de 1375 schilderijen uit Görings kunstcollectie is meer dan de helft nog altijd zoek. De schilderijen waarmee Göring zijn landhuis Carinhall en zijn kasteeltje Veldenstein in de buurt van Neurenberg had opgetuigd, raakten in 1945 hopeloos verspreid. Een aantal werd in aluminiumkisten begraven in het oosten van Duitsland. Andere verdwenen in de buurt van Berchtesgaden. Hier strandde begin 1945 een trein vol kunst en kostbaarheden die Göring in veiligheid had willen brengen, waarna de plaatselijke bevolking zich op de inhoud stortte.

Maar het meeste moet richting Rusland zijn afgevoerd. Vier uit Nederland afkomstige schilderijen - waarvan twee uit de Goudstikker-collectie - die door Miedl aan Göring waren verkocht, werden onlangs aangetroffen in het Moskouse Poesjkinmuseum, maar dat is waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg. De trofeeënbrigades van het Rode Leger namen na de oorlog uit Duitsland 920.000 kunstwerken mee als vergelding voor alles wat de Duitsers in de Sovjet-Unie hadden vernield (zoals 427 Russische musea die met de grond gelijk werden gemaakt). Görings collectie was voor een deel achtergebleven in de Russische zone en dat zal het Rode Leger niet zijn ontgaan. Naast de oorlogsbuit van de trofeeënbrigades zijn er ook ladingen kunst door Russische militairen gestolen. In een opmerkelijke toespraak tijdens het symposium The Spoils of War - World War II and its Aftermath, in 1995 in New York, vertelde de Russische kunsthistoricus Alexej Rastorgoejev dat onvoorstelbaar veel kunstwerken uit Duitsland terecht kwamen in Russische privé-collecties. Naar zijn mening is zeventig procent van alle Westeuropese kunst die in Rusland op de markt komt kort na de oorlog in Duitsland gestolen. (Overigens werd door de Geallieerden in de westelijke zone ook het nodige achterover gedrukt en in postpakketjes naar huis gestuurd.)

Alois Miedl verkocht niet alleen aan Göring en als het zo uitkwam aan Hitler, hij gaf ook veel kunst cadeau aan invloedrijke nazi's in de hoop dat die zijn joodse vrouw zouden beschermen. Toen Miedl in 1944 naar Spanje vluchtte, nam hij 25 schilderijen mee waar nu door de Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van OCW nog altijd naar wordt gezocht. Het waren doeken van meesters als Gerard Dou, Frans Hals, Antoni van Dyck, maar bijvoorbeeld ook van El Greco en Corot. De schilderijen werden in 1946 voor het laatst gesignaleerd bij de douane van Bilbao, sindsdien zijn ze spoorloos. Volgens de nu in Zwitserland wonende Jan Dik jr, die in de oorlog op Amsterdamse veilingen schilderijen voor Miedl inkocht en ook na de oorlog nog met hem omging, had Miedl's vrouw de doeken opgeborgen in een Madrileense bankkluis en heeft ze tot aan haar dood geweigerd om haar man de sleutels van de kluis te geven.

Joodse inboedels

De Stichting Nederlands Kunstbezit heeft nooit verheeld dat ze zich bij de recuperatie concentreerde op kunst 'van nationaal belang'. De Vries sprak in 1945: “Voor de Nederlandse Staat is slechts belangrijk dat kunstwerken van nationaal belang naar Nederland terugkeren en dat hiertoe alle pogingen worden aangewend.” En twintig jaar later, bij een terugblik op de SNK: “We hebben in de eerste plaats alles in het werk gesteld om de belangrijkste kunstwerken terug te krijgen.”

Pas eind 1946 begon de SNK ook te zoeken naar de enorme hoeveelheid kunstwerken uit joodse inboedels die vanaf 1942 door de nazi's in beslag waren genomen. In november 1946 noteerde De Vries: “Nu echter de mogelijkheid bestaat door Nederlandse experts, 8 à 9 in totaal, opsporing te laten doen naar de talloze voorwerpen die bij kunsthandelaren en particulieren terecht zijn gekomen, mag verwacht worden dat in de eerstvolgende maanden nog een vrij belangrijk aantal kunstvoorwerpen naar Nederland zal terugkeren.”

Maar er was toen al te lang getalmd. De meeste kunstwerken die uit Duitsland werden gerecupereerd, zijn gevonden in de kunstdepots van de nazi's die door de geallieerde troepen in mijnen en afgelegen kastelen werden ontdekt. De grootste opslagplaats was de zoutmijn van Alt Aussee bij Salzburg waar 15.000 schilderijen lagen. Bij Duitse kunsthandelaren en particulieren hebben de SNK-experts relatief weinig kunnen traceren en juist hier was een groot deel van het joodse kunstbezit uit Nederland terechtgekomen. Het waren meestal geen Rembrandts of Jan Steens, geen 'reichswichtige' schilderijen - die werden voor Hitler, Göring of Von Schirach geselecteerd - maar wel doeken van minder bekende zeventiende eeuwse meesters, van Haagse School-schilders als Mauve, Maris, of Weissenbruch, van Leo Gestel, Jan Sluijters of Breitner. Dat deze kunst zo moeilijk was op te sporen had alles te maken met de manier waarop ze naar Duitsland was verdwenen.

Voor het sicherstellen van de reichswichtige kunst hadden de Duitsers in de bezette gebieden een heel netwerk van experts. Al op 15 mei 1940 werd de kunstkenner Kajetan Mühlmann in Nederland aangesteld als 'Sonderbeauftragter für die Sicherung der Kunst- und Kulturgüter'. Mühlmann berichtte meteen aan zijn superieuren dat er in de Nederlandse kunsthandels en in privébezit veel waardevols was dat voor Duitsland verworven kon worden. Tot de taken van zijn 'Dienststelle' hoorde niet alleen het inkopen van kunst op de vrije markt, maar ook het selecteren van belangrijke werken uit geconfisqueerde joodse collecties en uit het zogeheten 'Feindvermögen': achtergebleven goederen van naar Engeland gevluchte joden. Mühlmann zorgde bijvoorbeeld dat alle schilderijen van de naar Engeland gevluchte verzamelaar A. Jaffé, die bij de Leidse Lakenhal in bewaring waren gegeven, naar Hitler en Göring verhuisden. In de opslag van de Duitse roofbank Lippmann-Rosenthal & Co. (Liro), waar de joden vanaf 1942 hun kostbaarheden moesten inleveren, kwam Mühlmann regelmatig kijken of er iets interessants was binnen gekomen. Zijn Dienststelle had bij Liro de eerste keus en Mühlmann zocht hier in de oorlog zo'n zestig schilderijen uit. Naast Hitler en Göring waren Baldur Von Schirach en Hans Frank, de Duitse gouverneur-generaal in Polen, belangrijke afnemers. Van alles wat de Dienststelle Mühlmann in de oorlog naar Duitsland liet transporteren is een derde deel niet teruggevonden.

Behalve Mühlmann opereerden er nog allerlei grote en kleine Duitse kunstkopers op de Nederlandse markt. De belangrijkste was Erhard Göpel die als 'Beauftragter für Kunstangelegenheiten' bij het 'Referat Sonderfragen' werkte, een Duitse culturele spionagedienst. Göpel heeft in Nederland voor miljoenen guldens ingekocht voor het Führermuseum dat Hitler in het Oostenrijkse Linz wilde oprichten. Net als Mühlmann mocht ook Göpel vrijelijk kiezen uit al het geconfisqueerde joodse bezit.

Göring, die altijd met Hitler wedijverde bij het aanleggen van zijn kunstverzameling, had eveneens een eigen inkoper, Andreas Hofer. En dan waren er nog allerlei kunstkopers voor de SS en voor Duitse musea. Vooral de kunstmusea in Hamburg en Düsseldorf waren actief bij het afstropen van de Nederlandse markt.

Van de kunst uit joods bezit werd het belangrijkste uitgekozen voor Hitler en consorten. Maar wat gebeurde er met de rest? Hoe werd dit bezit in beslag genomen en waar bleef alles?

Liro

Lippmann-Rosenthal & Co. was voor de oorlog een gerenommeerde joodse bank aan de Amsterdamse Spiegelstraat. Zoals bij alle joodse ondernemingen werd ook hier in de oorlog een 'Verwalter' aangesteld, Alfred Flesche. Flesche kreeg het beheer over de bank, maar hij moest ook een filiaal oprichten, 'Lippmann-Rosenthal Sarphatistraat', gewoonlijk aangeduid met 'Liro'. In augustus 1941 moesten de joden hun bankrekening overbrengen naar deze bank en daar hun geldelijke vermogens onderbrengen. Ze konden niet meer vrij over hun geld beschikken, maar kregen maandelijks, als hun rekening dat toeliet, een luttel bedragje om van te leven. Een jaar later, in mei 1942, werden de joden verplicht ook al hun sieraden, kunstwerken en edele metalen bij de Liro in te leveren. Alleen hun trouwringen en gebitsvullingen mochten ze houden. Kort na deze verordening begonnen de deportaties en werden de complete inboedels van weggevoerde joden in beslag genomen en opgeslagen. Nadat Mühlmann en Göpel gekeken hadden of er iets van hun gading bij was, was Himmler aan de beurt die prijzen liet uitzoeken voor schietwedstrijden van zijn Waffen-SS. Tachtig schilderijen, veertig tapijten en zeventien sculpturen werden voor dit doel geselecteerd. Daarna mochten de Nederlandse musea nog rondneuzen bij de Liro (waarover meer in een volgende aflevering). Wat dan nog over was, werd grotendeels verkocht.

Dat was nog heel veel. In Nederland woonden 135.000 joden van wie 107.000 zijn gedeporteerd. Alles wat zij in huis hadden, werd in beslag genomen. De Liro maakte de inboedels en kostbaarheden op allerlei manieren te gelde. Voor juwelen en zilverwerk waren speciale Duitse opkopers. Veel huisraad en kunst ging naar Duitse veilingen als Lempertz in Keulen en naar kunsthandels als Reinheldt in Berlijn. 'Entartete Kunst', zoals de Franse impressionisten, moesten volgens de richtlijnen in Zwitserland worden geveild of daar als 'Tauschbilder' geruild tegen kunst die wel deugde.

Joodse inboedels werden ook rechtstreeks naar de bevolking van gebombardeerde Duitse steden getransporteerd. Dat gebeurde via de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR), de organisatie van de nazi-ideoloog Alfred Rosenberg. In Frankrijk hield de ERR zich op grote schaal bezig met het in beslag nemen van kunstverzamelingen. De Nederlandse afdeling concentreerde zich aanvankelijk op de confiscatie van bibliotheken en de bezittingen van synagogen, maar vanaf 1943 begon de ERR de Liro in de wielen te rijden bij de inbeslagname van kunstwerken uit inboedels. De baas van de 'Arbeitsgruppe Niederlände' van de ERR, Albert Schmidt-Stähler, vond dat zijn organisatie de kunstwerken moest beheren. Bij de woningontruimingen wist de ERR steeds meer kunst achter te houden en af te voeren naar de eigen ERR-depots in Duitsland.

Het joodse (kunst)-bezit uit Nederland raakte zo via diverse kanalen overal in Duitsland verspreid. Toen de SNK hier eind 1946 eindelijk naar ging zoeken, was er geen beginnen meer aan.

Helers

Naast alle spullen die naar Duitsland werden gestuurd, bleef ook veel dichtbij huis. Enkele Nederlandse kunsthandelaren, zoals Delaunoy in Amsterdam, hadden zulke goede connecties met de Duitsers dat ze rechtstreeks bij de Liro konden inkopen. Er bestonden ook nauwe betrekkingen tussen de Liro en het Amsterdamse veilinghuis Mak van Waay. Bij Mak van Waay is acht procent van de door de Liro in beslag genomen goederen geveild, waaronder 300 schilderijen. Er was één voorbehoud: Nederlandse veilingen mochten geen werk van joodse kunstenaars aanbieden. Daar had Mak van Waay wat op gevonden: op de doeken van bijvoorbeeld Isaac Israëls werd de signatuur simpelweg overgeschilderd. Ook andere Nederlandse veilinghuizen wisten via de Duitsers de hand te leggen op joods bezit. Tot hun klanten hoorden zowel Duitsers als Nederlanders.

Een goed voorbeeld is de veiling van de kunst- en antiekverzameling van Siegfried Paul Daniël May. Voor de oorlog zat Paul May samen met zijn broer Robert in de directie van de Lippmann-Rosenthal bank. Op 15 mei 1940, de dag van de capitulatie van het Nederlandse leger, pleegden Paul May en zijn vrouw Rosa Fuld zelfmoord. Omdat hun erfgename, Ellen Von Marx-May, met haar gezin op 14 mei naar Engeland was gevlucht, gold hun hele nalatenschap als 'vijandelijk vermogen'. De kostbare collectie achttiende eeuwse boeken van Paul May werd door de ERR naar het klooster Tazenburg in Klagenfurt gezonden. Al het overige bezit werd op last van de Duitsers in oktober en december 1941 bij Frederik Muller in Amsterdam geveild. De catalogi van deze twee veilingen, die samen meer dan vijf dagen in beslag namen, vermelden naast een reeks schilderijen van onder anderen Boucher, Canaletto, Chardin en d'Hondecoeter, ook een omvangrijke collectie topografische aquarellen en tekeningen, zilverwerk, tapisserieën, sculpturen, klokken en meubelen uit de zestiende tot achttiende eeuw, juwelen, talloze objets d'art, gouden dozen, antiek kant, porcelein en kristal.

Volgens een kleinzoon van Paul en Rosa May, de in de Verenigde Staten wonende Robert Vanmarx, is na de oorlog alleen de naar Klagenfurt getransporteerde boekenverzameling teruggevonden. Van alles wat bij Frederik Muller was geveild heeft de SNK niet één voorwerp weten op te sporen. Van een enkel stuk is het spoor nog een eindje te volgen. Zo kocht Alois Miedl op deze veiling twee stillevens van Chardin die hij doorverkocht aan ene 'Zimmermann Sr.' in München. Vandaar belandden de doeken in de collectie van Göring. Op 9 maart 1945 werden ze samen met 714 andere schilderijen overgebracht van Görings landhuis Carinhall naar zijn kasteel Veldenstein. Hier loopt het spoor dood.

Maar er waren niet alleen Duitse kopers als Alois Miedl bij de veiling van de verzameling May. Het merendeel van de kopers was Nederlands en er zijn redenen om aan te nemen dat er ook is ingekocht door Nederlandse musea.

Namens de SNK liet De Vries na de oorlog aan de erven-May weten dat het veilinghuis Frederik Muller niet verplicht was inlichtingen te verstrekken 'omtrent de objecten uit de verzameling van den heer en mevrouw May, welken niet door den Duitschers werden gekocht.' De SNK deed dus geen naspeuringen naar alles wat via de veiling in Nederlandse handen was gekomen. Dat gold niet alleen voor deze veiling - waarvan in 1941 algemeen bekend was dat het om geconfisqueerd joods bezit ging - maar ook voor andere Nederlandse veilingen waar joodse eigendommen voor de bezetter te gelde werden gemaakt. Hoeveel kunst uit joodse inboedels op veilingen door Nederlandse helers werd gekocht, hoeveel hier achterbleef, is nooit uitgezocht.

Tijdrovend

In 1952 werden de collecting points door de Geallieerden overgedragen aan de Bondsrepubliek. Er lagen toen nog 3700 schilderijen, 960 prenten en 160 sculpturen die door geen enkel land waren opgeëist. In de jaren vijftig is nog een klein aantal van deze voorwerpen gerestitueerd, maar in 1962 kwam er definitief een einde aan de teruggave. De verzamelplaatsen werden opgeheven en de resterende kunst werd in beheer gegeven aan het Westduitse ministerie van Financiën.

Nadat de Westduitse regering de minst waardevolle voorwerpen had laten veilen, waren er nog zo'n 1200 schilderijen, tekeningen en sculpturen over, waaronder veel doeken van bekende schilders als Rubens, Rembrandt, Rafaël, Titiaan, Tintoretto en Cranach. Bondskanselier Adenauer opperde het plan om deze kunst onder te brengen in een gloednieuw 'Bundeskunstmuseum' in Bonn, maar dat idee stuitte op zoveel kritiek dat in 1965 werd besloten om de kunstwerken dan maar te verdelen onder de Westduitse musea. Ook op die verdeling was internationaal kritiek omdat het vermoeden bestond dat veel van deze kunst had toebehoord aan in de oorlog omgekomen joden. In hetzelfde jaar 1965 kwam Simon Wiesenthal met de onthulling dat in Oostenrijk nog duizenden in de oorlog buitgemaakte kunstwerken waren opgeslagen. Het zou nog meer dan twintig jaar duren voor Oostenrijk begon met de teruggave van deze zogeheten 'Mauerbach-collectie'.

In Nederland was in 1952, toen de SNK werd opgeheven, een eind gekomen aan de opsporing van kunst. Hoeveel er ook nog zoek was, de kunstrecuperatie werd als een afgesloten hoofdstuk beschouwd.

Maar 35 jaar later, in 1987, werden in Dresden ineens 33 tekeningen ontdekt uit de Koenigs-collectie die in 1940 door de verzamelaar D. van Beuningen vrijwillig aan de Duitsers was verkocht. De DDR gaf de tekeningen terug aan Nederland en bij die gelegenheid kondigde de Rijksdienst Beeldende Kunst een 'actiever opsporingsbeleid' aan 'naar kunstwerken die tijdens de Tweede Wereldoorlog als oorlogsbuit uit Nederland zijn weggevoerd'. De 'actieve opsporing' werd toegespitst op de nog vermiste tekeningen uit de Koenigscollectie die, naar later bleek, bewaard worden in het Moskouse Poesjkinmuseum.

In een gesprek op het ministerie van OCW met Charlotte van Rappard en Josefine Leistra van de Inspectie Cultuurbezit, leg ik hen de vraag voor waarom de opsporingstaak niet wat ruimer werd opgevat.

Leistra: “Sinds de jaren vijftig was er voor zover ik weet nauwelijks vraag meer naar de verdwenen kunst. Het gebeurde maar zelden dat particulieren inlichtingen vroegen, de kwestie speelde niet meer. Na de teruggave van de tekeningen uit de DDR waren er nog bijna 500 tekeningen uit de Koenigscollectie zoek en we hadden aanwijzingen dat die zich in de Sovjet-Unie bevonden. Omdat we bij deze collectie precies wisten waar we naar zochten, om welke tekeningen het ging, lag het voor de hand dat we ons daarop richtten. Maar daarnaast hebben we ons ingespannen voor de teruggave van werk uit de Mauerbach-collectie. Ook lieten we de 6000 aangiftes van nog vermiste schilderijen kopiëren, zodat we zelf over een inventarisatie beschikken en snel kunnen reageren wanneer bijvoorbeeld een kunsthandelaar ons vraagt of een schilderij dat hem wordt aangeboden wel koosjer is.”

Leistra en Van Rappard benadrukken dat de Inspectie Cultuurbezit niet zoekt naar kunstwerken waarvan de verblijfplaats onbekend is. Dergelijk speurwerk zou te tijdrovend zijn. “Pas als we bericht krijgen dat ergens een kunstwerk is opgedoken dat misschien tijdens de oorlog uit Nederland is ontvreemd, worden we actief en zoeken we de zaak uit. Van het Rijksmuseum hoorden we bijvoorbeeld dat uit Canada documentatie was opgevraagd over een schilderij van Govert Flinck dat na de oorlog was gestolen uit een van de collecting points. Dat schilderij hebben we terug weten te krijgen, en het hangt nu in het Amsterdams Historisch Museum. Soms krijgen we een tip van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie over een verdacht schilderij op een veiling en dat checken we dan meteen. Als een kunstwerk terugkomt, kijken we of het rijksbezit of privébezit is, of het in de oorlog wel of niet vrijwillig iverkocht. Bij privébezit proberen we de eigenaar te vinden. We geven ook advies aan particulieren die zelf naar iets op zoek zijn.”

Mijn schatting dat bij de 6000 vermiste schilderijen zo'n 1000 van 'museale betekenis' zijn, zou volgens Van Rappard 'wel kunnen kloppen'. “Maar je moet niet alleen naar de namen van de schilders kijken. Van de 30 vermiste doeken van Hendrik Avercamp heeft de SNK er destijds 20 teruggevonden en waarschijnlijk waren dat de belangrijkste. Bij de overige tien weten we niet om welke schilderijen het gaat. Op de aangifteformulieren staan vaak vage omschrijvingen als 'schaatsgezicht' of 'winterlandschap' waarvan Avercamp er heel veel heeft geschilderd. Als er geen literatuur wordt genoemd, als zo'n schilderij nooit geëxposeerd is en er bestaat ook geen afbeelding van, dan tast je in het duister. Maar zulke doeken, waarover niets bekend is, horen waarschijnlijk niet tot Avercamps beste werk.”

In Frankrijk werd na de oorlog een catalogus gepubliceerd van alle vermiste kunst: Répertoire des biens spoliées en France durant la guerre 1939-1945, met daarin ondermeer een lijst van 12.500 schilderijen. In Berlijn werd twee jaar geleden gestart met de uitgave van 30 catalogi die een overzicht moeten geven van alle kunst die Duitsland tijdens en vlak na de oorlog kwijtraakte. Ook in Italië is onlangs een opsporingscatalogus uitgebracht van de meest waardevolle verdwenen kunstwerken. In Nederland zijn de vermissingen nooit geboekstaafd, hoewel zo'n catalogus, die internationaal bij veilinghuizen en kunsthandels verspreid kan worden, de kans om nu en dan iets terug te vinden zeker zou vergroten.

Op mijn vraag of de Inspectie weleens heeft overwogen zo'n catalogus, met afbeeldingen en beschrijvingen, te publiceren, zegt Van Rappard: “Nee, daar is nooit over gedacht. Persoonlijk zou ik het een goed idee vinden. We zouden ons moeten beperken tot schilderijen die uit de kunsthistorische literatuur bekend zijn en dus geen vage Avercampjes opnemen. Ik weet niet of het uitvoerbaar is en het zou natuurlijk eerst besproken moeten worden, maar mij lijkt zo'n opsporingscatalogus wel nuttig. Alleen al als een signaal: dat we het niet opgeven.”

Schuilkelder

Bijna zestig jaar na de oorlog lijkt de hele wereld één grote schuilkelder van kunstwerken die alleen in catalogi en op formulieren een legaal bestaan leiden. De 6000 aangiftes die in Nederland nog getuigen van de 'grootste kunstroof aller tijden', vertellen lang niet het hele verhaal van de vermissingen. Ze zeggen niets over de geconfisqueerde kunstwerken waarvan nooit aangifte werd gedaan. Omdat de SNK ze niet terugvond in de administratie van de Liro of van de ERR, omdat de eigenaren in de oorlog waren omgekomen -van de 107.000 gedeporteerde joden keerden na de oorlog maar 6000 terug - of omdat degenen die de oorlog wel hadden overleefd door andere zorgen werden gekweld dan hun geroofde kunstbezit. Zoals de 87-jarige Amsterdamse mevrouw die Bergen-Belsen overleefde, maar haar zusje en andere familieleden verloor. Zij vertelt: “Mijn ouders hadden veel kunst in huis. Ik herinner me bijvoorbeeld een stilleven met vis en citroenen van de zeventiende eeuwse schilder Willem Claesz Heda en een portret van Thérèse Schwartze. Maar ik heb daarvan geen aangifte gedaan. Je was na de oorlog met andere dingen bezig. Je wilde de mensen terug, niet de schilderijen. Er is één doek dat ik dolgraag terug zou zien: een portret door Jan Sluijters van mij en mijn zusje uit 1917, toen we drie en zes jaar oud waren. Twee meisjes met pijpekrullen en grote strikken in het haar, zittend achter een tafel. De oudste draagt een blauw-fluwelen en de jongste een roze jurkje. Het gaat me niet om het bezit, maar ik heb altijd gehoopt dat ik dit schilderij nog een keer zou mogen bekijken.”