Energieke bronzen van Préault

Tentoonstelling: Auguste Préault; romantiek in brons. Van Gogh Museum, Amsterdam. T/m 11/1. Catalogus (Uitg. Waanders), 64 pag., Prijs ƒ 29,95.

De manier waarop de Franse beeldhouwer Auguste Préault (1809-1879) zichzelf op foto heeft laten vastleggen, zegt iets over zijn voorbeelden. Eenportret, dat is afgebeeld in de catalogus bij de tentoonstelling in het Van Gogh Museum, toont de kunstenaar als in een zeventiende-eeuws schilderij, met zijn bovenlichaam gevat in een versierd ovalen raamwerk. Op de vensterbank aan de onderrand staan twee kleine sculpturen. Een ervan is een model van de Mozes, het beroemde beeld van Michelangelo in de kerk van San Pietro in Vincoli in Rome. Préaults pose, zijn naar rechts gewende hoofd en strenge gelaatsuitdrukking, echoën de houding en blik van de oudtestamentische wetgever. Maar het beeldje roept nog meer associaties op, want Préault lijkt in sommige van zijn eigen werken te zijn geïnspireerd door Michelangelo.

De Mozes is, met zijn gespierde vormen, krachtige blik en lange baard, een voorbeeld van een effect dat Michelangelo's tijdgenoten terribilità noemden: een bijna angstaanjagende energie en gestrengheid. De expositie toont mooie voorbeelden van iets soortgelijks in Préaults werk. Zo is er een bronzen medaillon met een profiel-aanzicht van de Romeinse keizer Vitellius, begonnen in 1834. Het zware bovenlichaam en de vlezige kop, omkranst door een cascade van lang haar, roepen het ongemakkelijke gevoel op dat ook bij Michelangelo werd herkend. Nog sterker geldt dat voor een ander portret en profil, nu een medaillon in gips, van de schilder Alexandre-Gabriel Decamps (1803-60). Een groot deel van het barse gezicht van de geportretteerde gaat schuil achter een snor en een enorme baard die bijzonder plastisch en energiek zijn gemodelleerd. Maar het beste voorbeeld van Préaults soms huiveringwekkende verbeeldingskracht is wel het bronzen reliëf dat hijzelf voorzag van de titel Tuerie ('slachting'). In een onoverzichtelijke compositie toont het een apocalyptische close-up van jammerende, stervende of onguur grijnzende figuren.

In 1834 bood Préault het gipsmodel van dit reliëf aan om te exposeren in de Salon, de prestigieuze kunsttentoonstelling die jaarlijks in Parijs werd gehouden. Hoewel het werk niet strookte met de conservatieve voorkeur die het selectiecomité had voor neo-classicistisch werk, werd het reliëf toch geaccepteerd - niet uit waardering maar om, zoals een jurylid het formuleerde, het op te hangen 'als een misdadiger aan de galg', en 'om het publiek te waarschuwen over de losbandigheid van de nieuwe school'. Het zou, ondanks vele pogingen van de kunstenaar, vijftien jaar duren voordat er in de Salon weer werk van Préault werd getoond.

Préaults productie beperkte zich echter niet tot overdonderend werk als het Tuerie-reliëf. Weinig minder morbide in thematiek, maar veel poëtischer in uitvoering is bijvoorbeeld het bronzen reliëf van Ophelia (1843), waarin Hamlets geliefde levenloos maar gracieus in het water drijft, de natte draperieën op haar naakte lichaam geplakt. Vooral met dergelijk werk manifesteert Préault zich als een kunstenaar van de Romantiek, die in zijn themakeuze werd beïnvloed door heel uiteenlopende literaire en culturele bronnen en daar een hoogstpersoonlijke visualisering aan gaf. Dat blijkt ook uit zijn decoraties voor graftombes, zoals het medaillon Stilte (1842-43), waarin een man met zijn wijsvinger op de lippen de levenden maant stil te staan bij de dood, en het wel heel onorthodoxe reliëf Verdriet (1871-1873), dat Préault maakte voor het graf van een Roemeense aristocrate in Boekarest. Dit werk bestaat uit een ronde lijst waarbinnen een hoofddoek en een hand het treurende gezicht dat we daarachter weten, slechts suggereert.

De tegenwerking die Préault aanvankelijk van officiële zijde ondervond, was er de reden voor dat hij grote openbare opdrachten misliep. Het noopte hem ertoe werk op kleinere schaal en met een meer privé-karakter te gaan maken. Vooral dat genre is in de tentoonstelling tot vervelens toe vertegenwoordigd. Het zijn veelal kleine, bronzen portretmedaillons van vrienden en bekenden, schrijvers en beeldend kunstenaars met wie Préault door zijn drukke sociale leven vaak persoonlijk bekend was, maar ook van historische personen. In deze werken heeft Préault het spontane en directe effect van de modellering in gips of was blijkbaar willen laten prevaleren boven zijn ambachtelijk vakmanschap: verschillende van deze portretten vertonen merkwaardige anatomische gebreken.

Toen omstreeks 1850 het tij in de waardering voor Préault keerde - zijn werk vond ingang in de Salon, hij kreeg openbare opdrachten en verwierf maatschappelijk aanzien - maakte hij al geen deel meer uit van de artistieke avant-garde. In die jaren kwam het realisme van Gustave Courbet in de mode - en wat de beeldhouwkunst betreft, zouden de vernieuwingen van Rodin die van de romanticus Préault al snel doen vergeten.