Een 'grote paraplu' tegen armoede

In Ede werd gisteren voor de tweede keer officieel over armoede in Nederland geconfereerd. 'Werk, werk, werk' volstaat niet.

EDE, 31 OKT. In een kring zitten 35 mensen te praten over de vraag welk beleid het beste ontwikkeld kan worden om armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan. De discussie is levendig, ideeën vliegen in het rond. Ook de beleidsmakers in de kring leveren een bijdrage. Het gaat om een “verbreding van de lokale beademing”, zegt één van hen. Een oudere vrouw trekt haar wenkbrauwen op. De man merkt het niet.

In Ede werd gisteren de tweede Sociale Conferentie over armoede in Nederland gehouden, een soortgelijke conferentie had vorig jaar in Zwolle plaats. Zo'n zevenhonderd politici, beleidsmakers, vertegenwoordigers van maatschappelijke instellingen en 'ervaringsdeskundigen', zoals de uitkeringsgerechtigden werden genoemd, hadden zich verzameld om te praten over een groot aantal aspecten van de armoede. Geen wonder dat de opkomst massaal was, zei staatssecretaris Terpstra (VWS) in haar openingstoespraak. Want in het afgelopen jaar is er een hoop gebeurd: “Het onderstreept de plaats van de armoedethematiek op de politieke en maatschappelijke agenda. Verbreding van armoede naar sociale uitsluiting.”

Want ter bestrijding van de armoede - zo'n 430.000 gezinnen leven van een inkomen op het bestaansminimum - blijkt het verschaffen van een betaalde baan niet genoeg. Volgens prof. G. Engbersen, die studie heeft gedaan naar armoede in Nederland, gaat het ook om “een verschraling van de sociale contacten, om de toenemende bemoeienis van functionarissen en om een verdergaande aantasting van het zelfrespect. Het beleid moet dus niet gericht zijn op werk, werk, werk, maar op werk, scholing, maatschappelijke participatie.”

Na het algemene gedeelte trokken de deelnemers zich in werk- en discussiegroepen terug om nader in te gaan op deelonderwerpen, zoals 'Armoede en de gezondheidszorg', 'Nationale inkomensbeleid en lokale inkomensondersteuning' en 'Allochtonen en armoede'. “Het aantal arbeidsplaatsen neemt toe, maar de langdurig werkloze krijgt daarin nauwelijks een kans. Daar moet dus wat aan gedaan worden”, zei een deelnemer. “Dat doe je door de werkgevers persoonlijk op hun verantwoordelijkheden aan te spreken, maar ook door een beleid te ontwikkelen waarbij de langdurig werkloze de tijd krijgt aan een betaalde baan te wennen.”

Er werd gewezen op Frankrijk, waar de overheid zichzelf de taak stelt de mensen op te zoeken en ze op hun rechten te wijzen. “Je moet het probleem niet bij de mensen neerleggen, maar bij de overheid”, zei een andere deelnemer. Er is, daar waren de deelnemers het over eens, een sociale beweging nodig, een “grote paraplu”, waaronder alle betrokken partijen een plaats krijgen. “Honderd jaar geleden waren de arbeiders arm. Voor hen werd de vakbond opgericht. Nu zijn de mensen die niet werken arm. Laten we voor de armen een soort vakbond opzetten.”