Dissertatie over een complex; Nog één keer: Friedrich Weinreb

Regina Grüter: Een fantast schrijft geschiedenis. De affaires rond Friedrich Weinreb. Balans, 444 blz. ƒ 34,50

Freek Weinreb is terug, althans op papier. Eenentwintig jaar nadat hij, ontmaskerd als zwendelaar, leugenaar en vieze man, van de ene dag op de andere op de mestvaalt van de geschiedenis belandde, duikt zijn naam weer op in de historiografie. Gisteren promoveerde de Leidse historica Regina Grüter op een proefschrift over de manier waarop de in 1988 overleden crimineel met het uiterlijk van een wijze rabbijn progressief Nederland ruim een decennium in zijn ban heeft kunnen houden.

Er schuilt iets van postume rechtvaardigheid in het feit dat juist aan Weinreb, de bellenblazer, de luchtbakker, een historische studie wordt gewijd die uitmunt door koele, onpartijdige eerlijkheid. Na alle opwinding rond de nepgeschiedschrijving van Nanda van der Zee is deze serieuze poging tot het bieden van inzichten over en voor de verwerking van de oorlog een verademing. Maar over wie gaat het eigenlijk?

Wie de jaren zestig en zeventig bewust heeft beleefd, zal toen niet hebben geloofd dat het ooit nog eens nodig zou zijn te moeten uitleggen wie Weinreb was. Zoals er destijds in de linkse dag- en weekbladpers met geeuwende regelmaat werd gewaarschuwd dat in (natuurlijk West-)Duitsland de laarzen weer gingen dreunen, sierde Weinrebs bebaarde en bebrilde hoofd om de haverklap de pagina's. Beide onderwerpen zijn te herleiden tot de Nederlandse preoccupatie met de Tweede Wereld!oorlog. Of beter gezegd, met een bepaalde fase daarvan.

Onder invloed van de vijf jaar lopende documentaire televisieserie De Bezetting, maar ook van de in 1965 verschenen studie van historicus dr. J. Presser naar de uitroeiing van de joden in Nederland, Ondergang, rijpte bij het denkend deel van de natie een onaangenaam inzicht. Het leeuwendeel van de Nederlanders bleek zich in de oorlog eenvoudig te hebben onttrokken aan de morele dilemma's waarvoor zij zich geplaatst hadden kunnen zien als ze hun ogen open hadden gehouden. In de allereerste plaats hadden zij zich gewijd aan het behoud van het eigen hachje. Dat is een groot goed, maar niet de grondstof waaruit helden worden gebakken. Daardoor hadden de Duitsers uit dit land honderddertigduizend joden kunnen wegvoeren zonder dat er een haan naar kraaide. Daardoor hadden ze onbeschaamd kunnen profiteren van de Nederlandse economie.

Paniek

Dit nieuwe besef veroorzaakte paniek. Bijna niemand deugde meer; het nazimonster schuilde in iedereen. Zelfs de aanstaande koningin van Nederland ging trouwen met een man die nog het Wehrmacht-uniform had gedragen. Gelukkig was nog een sprankjehoop te putten uit de ontdekking van een antiheld, de bij verzekeringsmaatschappij Providentia in Amsterdam werkzame kantoorklerk Freek Weinreb. Presser had hem in Ondergang genoemd als lichtend voorbeeld van een gewone burgerman die in tijden van nood zijn morele plicht tot verzet aanvaardt. Met behulp van slimheid alsmede wat vervalste briefhoofden en stempels had Weinreb, aldus Presser, honderden joden uit de gaskamers weten te houden door met de Duitsers een ingewikkeld administratief spel te spelen.

Nadat hij door redacteur Igor Cornelissen was geïnterviewd voor het weekblad Vrij Nederland, werd Weinreb pijlsnel de ikoon van progressief denkend Nederland. De publicatie van zijn memoires in 1969 vergrootte dit effect dramatisch. Het uit drie dikke delen bestaande boek werd genomineerd voor de prozaprijs van de gemeente Amsterdam, maar kreeg de onderscheiding niet, wat tot veel opwinding leidde.

Freek Weinreb zou echter nooit tot een begrip en tenslotte tot een affaire hebben kunnen uitgroeien als zijn heldendaden uit de oorlog niet in het heden verplichtingen hadden opgeroepen. Na de bevrijding had hij enkele jaren vastgezeten op verdenking van oplichting en verraad ten behoeve van de Duitsers. Daarvoor was hij in twee instanties ook veroordeeld, maar vervroegd vrijgelaten wegens de troonsbestijging van koningin Juliana. Weinreb streefde naar volledige rehabilitatie. De door zijn bewonderaars overgenomen roep om eerherstel ging dan ook een belangrijk onderdeel van het complex-Weinreb vormen. Achteraf is ook duidelijk welke functie dit streven had binnen de Nederlandse Vergangenheitsbewältigung: in het heden kon iets worden goedgemaakt van het verleden.

Nadat Kamervragen over de zaak-Weinreb waren gesteld, kreeg het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie van de minister van Justitie opdracht een onderzoek in te stellen. De resultaten daarvan werden door de onderzoekers mr. D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw neergelegd in een rapport dat in 1976 verscheen. Daarin toonden zij overtuigend aan dat Weinreb destijds terecht was veroordeeld.

Weinrebs veelgeroemde reddingsactie voor honderden joden in zijn toenmalige woonplaats Den Haag had niets voorgesteld. Hij had de ongelukkigen voorgespiegeld dat hij hun, tegen betaling van soms forse bedragen, een enkele reis naar de vrijheid kon bieden. Niet alleen bij wijze van spreken, zelfs letterlijk kleedde hij zijn slachtoffers uit: vooral vrouwen en meisjes die een plaats op zijn lijst wilden hebben, moesten zich onderwerpen aan een pijnlijke en vernederende 'medische keuring', want Weinreb hield van doktertje spelen.

Zijn 'geniale' misleiding van de Sicherheitspolizei had uiteindelijk opgeleverd dat alleen hij en zijn gezin het kamp Westerbork hadden mogen verlaten, waarna ze hadden kunnen onderduiken. De prijs die Weinreb daarvoor had moeten betalen, was het verraden van onderduikadressen van anderen, verraad dat naar schatting enkele tientallen joden het leven heeft gekost. Daarnaast had Weinreb als celspion belastende informatie, die hij celgenoten had weten te ontfutselen, aan de Sipo doorgespeeld.

Helemaal als een verrassing kwam deze verpletterende conclusie niet meer, want inmiddels had al jaren in verscheidene dag- en weekbladen een felle polemiek gewoed tussen voor- en tegenstanders van Weinreb. VN-columniste Tamar (Renate Rubinstein) en haar ex-echtgenoot, de literatuurcriticus Aad Nuis, wierpen zich op als zijn voornaamste pleitbezorgers. Aan de andere kant van het spectrum bevonden zich de lerares en befaamd schrijfster van ingezonden stukken Henriëtte Boas en de schrijver Willem Frederik Hermans, die niet moe werden te wijzen op inconsistenties, aperte leugens en verdraaiingen in Weinrebs eigen verhalen. Een vervelende smet was op de anti-held al in 1968 geworpen toen hij naar Zwitserland vluchtte om een celstraf wegens ontucht en het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde te ontlopen. Weinreb kon het doktertje spelen niet laten.

Implosie

De implosie van het rolmodel Weinreb was dus het abrupte einde van een drama met een lange geschiedenis. Grüter heeft die geschiedenis opgedeeld in een menu, waarvan de eigenlijke affaire-Weinreb, van Presser tot Giltay Veth en Van der Leeuw, uiteraard het hoofdgerecht is. Maar ze besteedt ook aandacht aan de twee aanklachten wegens ontucht en mishandeling waarvoor Weinreb is veroordeeld. Ze gaat in op Weinrebs succesrijke chantage van de Staat der Nederlanden toen hij halverwege de jaren vijftig hoogleraar economie in Jakarta was. En dan is er ook nog Weinrebs mislukte professoraat in Ankara, culminerend in de tientallen injecties met lucht en water die hij twee Turkse studentes toediende, een kwestie die werd stilgehouden om de Nederlands- Turkse betrekkingen niet te schaden.

Het enige verbindende element tussen al deze kwesties, die elkaar staccato opvolgen, wordt uiteraard gevormd door Weinrebs levensloop en karakter. Niets zou dan ook meer voor de hand hebben gelegen dan een biografie van deze man te schrijven. Blijkens haar inleiding heeft Grüter deze optie bewust van de hand gewezen, en wel omdat ze dan feiten moest vermelden die ze maar vond 'afleiden' van de hoofdzaak. Tot zulke feiten rekent zij - het staat er echt - Weinrebs privéleven. Dat schrijft iemand die ambieert tot de kern van Weinrebs persoonlijkheid door te dringen! Grüters keuze heeft nog een ander nadeel. Biografen, altijd beducht ervan te worden beticht er maar op los te psychologiseren, kunnen hun inzichten in de zieleroerselen van hun held onnadrukkelijk over hun boek verdelen. Vaak kunnen die ook impliciet blijven doordat de lezers op een gegeven moment zelf wel het gedragspatroon van de hoofdpersoon onderkennen. Grüter daarentegen koos er voor een apart hoofdstuk aan Weinrebs psyche te wijden. Hoe integer ze ook is, een dergelijk voornemen lijkt bij voorbaat al enigszins pompeus, en zo pakt het ook uit. Blijkens de flaptekst heeft Grüter zich gespecialiseerd in de 'psychologische aspecten van de geschiedschrijving'. Dat mag zo zijn, toch oogt ze in dit hoofdstuk als een knutselaar, die met een scheikundedoos een soort Frankenstein zit te fabrieken. Met een kilo narcisme, een klompje psychopatie, een vleug schizofrenie en een huizenhoog minderwaardigheidscomplex. Comic relief biedt ze gelukkig door enige deskundigen ten tonele te voeren. Zo verschijnt de beroemde verzetstherapeut prof. J. Bastiaans, die naar eigen zeggen de niet door hem behandelde Weinreb vlijmscherp in de smiezen had maar die de fantast Eibert Meester (bekend als secretaris van de PvdA) in zijn eigen praktijk over het hoofd zag.

Zulke ecce homo-achtige doorkijkjes geeft Grüters boek wel meer. Boeiend is bijvoorbeeld het optreden van de vermaarde linkse econoom Jan Tinbergen, die met een onverwoestbaar vertrouwen in de goedheid van de mens zijn adept Weinreb - hij studeerde economie bij Tinbergen - telkens weer een baan bezorgde, ongeacht de puinhoop die Weinreb van zijn vorige betrekking achterliet. Of neem oud-provo Roel van Duijn, die zich blijkens de noten ineens niet meer kan herinneren dat hij en zijn medekabouters ooit Weinreb hebben omarmd als pionier van de burgerlijke ongehoorzaamheid.

De oplichter

De essentie van Grüters boek is echter het antwoord op de vraag hoe het Weinreb-complex is kunnen ontstaan. Vanzelfsprekend ligt de sleutel daartoe in de eerste plaats bij Weinreb zelf. Al is de door haar gekozen vorm zoals betoogd wat minder gelukkig, toch draagt de auteur een karrenvracht aan overtuigende argumenten aan voor de stelling dat Weinreb een voorbeeld was van het archetype van 'de joodse oplichter'. Zij gebruikt dat begrip niet zelf; ik leen het voor de gelegenheid van voormalig VN-redacteur Cornelissen die twee boeken over het fenomeen schreef. De joodse oplichter onderscheidt zich van zijn niet-joodse evenknie door de drijfveer zich met alle middelen staande te willen houden in een buitenwereld die hij in beginsel als vijandig en bedreigend ervaart. Behoefte aan veiligheid is de allereerste prioriteit. Veiligheid kan worden verkregen door de omgeving te manipuleren en naar de hand van de oplichter te zetten. Omdat veiligheid niet in de laatste plaats kan worden uitgedrukt in het bezit van veel geld, moeten de manipulaties altijd pecunia van enige omvang opleveren. Aan deze criteria voldoet Weinreb ruimschoots.

Het middenstandersgezin waaruit hij stamde, kwam uit de nu in de Oekraïne gelegen stad Lviv, destijds Lemberg geheten en tot de Eerste Wereldoorlog een uithoek van Oostenrijk-Hongarije. Het uitbreken van die oorlog verraste het gezin op vakantie. De Weinrebs konden niet meer terug. Na jarenlange omzwervingen belandden ze tenslotte in Scheveningen, waar al een kolonie van 'oostjoden' bestond. Friedrich ('Freek') Weinreb groeide op in een tamelijk geïsoleerd milieu, met een cultuur die vreemd afstak tegen die van de Haagse bourgeoisie. Zelf werd hij ook als vreemd ervaren: teruggetrokken en vroom. Na zijn studie economie kreeg hij een baan aan het Nederlandsch Economisch Instituut. In 1941 werd hij daar echter ontslagen omdat hij een jood was.

Grüter suggereert, niet onlogisch, dat er een financieel verband bestaat tussen het verlies van zijn aanstelling bij het NEI en het begin van Weinrebs zwendel met de passagierslijsten voor een gefingeerde treinreis naar de overleving. Hij had intussen gemerkt dat hij de mensen kon doen geloven wat hij wilde. In de wereld van de Haagse en Scheveningse 'oostjoden' had hij zich gezag verworven door zijn positie als econoom, door zijn vroomheid, maar vooral door zijn vermogen mensen te manipuleren. Weinreb had het typische gereedschap van de vijfsterrencharmeur, maximale aandacht op 'maat' voor zijn toehoorder, ontdekt. Hij kon goed luisteren, en dan exact dat zeggen wat zijn gesprekspartner hoopte of verwachtte.

Symbiose

Weinrebs intuïtief aanvoelen van de noden en behoeften van anderen en daarop kunnen reageren met een aangepast verhaal, was zijn sterke punt. Dat het desondanks telkens misging, zowel in de oorlog als daarna, was te wijten aan zijn onmatigheid, zo betoogt Grüter. Zijn vermogen tot het op 'maat' bijbuigen van de waarheid om zijn gehoor voor zich te winnen, sloeg steeds weer op hol. Zijn beweringen werden steeds kleur- en talrijker totdat hij tenslotte het overzicht verloor en zich verstrikte in tegenstrijdigheden. Grüter plakt hier een lange beschouwing aan vast of dit kan worden gediagnostiseerd als pseudologia fantastica, maar dit jongleren met medische termen blijft luchtfietserij. Eerlijk gezegd zal het juiste psychopathologische etiket op Weinreb me een zorg zijn zolang maar duidelijk is wat hij deed en waarom.

Weinrebs betovering van zijn slachtoffer werkte natuurlijk alleen als er een symbiotische verstrengeling van hun beider behoeften kon ontstaan. In dit opzicht is het veelzeggend dat de twee zedenzaken waarin hij verwikkeld raakte, bij de politie zijn aangegeven door 'patiëntes' die voor het eerst met hem in aanraking waren gekomen. In beide gevallen hadden de vrouwen hem benaderd op aanbeveling van kennissen, die al langer met Weinreb in contact waren, en die in hem een wijze leermeester en aandachtige biechtvader zagen. Hoewel ook deze vrouwen te lijden hadden onder zijn sadistische nepgynaecologie, bleven ze hem verdedigen.

Zijn chantage van Buitenlandse Zaken berustte in wezen op hetzelfde principe van schijnbaar wederzijdse belangen. Weinreb vreesde al snel na zijn benoeming als hoogleraar economie in Jakarta - een vriendendienst van Tinbergen - met de andere Nederlanders Indonesië te worden uitgezet in het kader van de strijd om Nieuw-Guinea. Hij wilde dat de Nederlandse staat zich om hem zou bekommeren. Weinrebs (loze) dreigement op last van Sukarno showprocessen tegen Nederlanders te moeten uitlokken, raakte bij de BZ-ambtenaren een tere snaar. Er stonden op dat moment al twee Nederlanders, L. Jungschläger en H. Schmidt, in Jakarta terecht in een showproces. De onmacht van Nederland iets voor hen te doen, viel voor de publieke opinie nauwelijks te verteren. Op rijkskosten werd Weinreb met zijn gezin gerepatrieerd en hier onderhouden uit de zogeheten Geheime Fondsen. Pas toen hij in 1957 werd veroordeeld in de eerste zedenzaak, werd de betovering verbroken.

Het meest dramatisch werkte de symbiotische relatie tussen Weinreb en zijn medestanders in de eigenlijke Weinreb-affaire. Weinrebs behoefte aan rehabilitatie paste als een deksel op de doos waarin Presser zijn oorlogstrauma's bewaarde. Zelf was hij als joodse onderduiker aan de Duitsers ontsnapt, maar zijn vrouw was opgepakt en vergast. Grüter wijst expliciet op Pressers behoefte te willen aantonen dat de joden zich niet als lammeren naar de slachtbank hadden laten leiden, maar zich wel degelijk hadden verzet. De vermeende joodse verzetsman Weinreb kwam hem hierbij uitstekend van pas, en wel in nog een ander opzicht. Presser was maar al te bereid te geloven dat Weinrebs veroordeling voor collaboratie en verraad na de oorlog voortkwam uit joods en niet-joods schuldgevoel over de grote mate van algemene passiviteit tijdens de bezetting.

De geïnvolveerdheid van Renate Rubinstein met de Weinreb-affaire kwam ongetwijfeld voort uit dezelfde persoonlijke trauma's als die van Presser. Zij probeerde te leven met gevoelens van onmacht en lafheid over het feit dat zij als kind niet in staat was geweest iets voor haar weggevoerde en omgekomen vader te doen. Weinreb was degene die plaatsvervangend voor haar wèl iets had kunnen doen voor haar vaders lotgenoten. Dit gevoel werd bij haar versterkt door het redigeren van Weinrebs autobiografie.

Maatwerk

Over die herinneringen merkte de historicus prof.dr. I. Schöffer al vijftien jaar geleden in het Tijdschrift voor Geschiedenis op dat de invalshoek ervan beklemmend volmaakt aansloot bij de op dat moment - eind jaren zestig - al overheersende kijk op de oorlog. Weinrebs memoires versterkten het cliché van, in Schöffers woorden, 'een bangig en berekenend volk dat maar al te graag 'zijn' joden opofferde toen de Duitsers de oorlog schenen te winnen'. De hypothese dat de autobiografie de zoveelste proeve is van Weinrebs fabelachtig vermogen 'maatwerk' te leveren, wordt door Grüter verstevigd met een veelzeggend voorbeeld. Meermalen uit Weinreb in zijn herinneringen zijn verontwaardiging over de Haagse burgerij, die maar gewoon bleef 'winkelen' terwijl in een zijstraat joden werden opgehaald. Uit brieven die Weinreb in de oorlog schreef aan zijn vrouw, die toen al in Westerbork was opgesloten, blijkt evenwel niets van enige verbijstering of ergernis. 'Overigens heeft de Stevinstraat nog de indruk van een gezellige winkelstraat,' schreef hij in juli 1943. 'Je ziet moeders met kinderwagens, met boodschappentassen, enfin alles zoals wij het in de Stevinstraat gewoon waren'.

'Maatwerk' leverde Weinreb ook voor Nuis, die zich naar eigen zeggen zeer aangesproken voelde door Weinrebs zelfportret als eenzame strijder voor de vervolgden en tegen het Duitse en Nederlandse establishment. Waarom hem dit facet zo sterk aansprak dat hij er zijn reputatie voor te grabbel gooide, weet ook Grüter niet. Blijkens het feit dat de ooit zo anti-autoritaire Nuis nu alweer bijna vier jaar als staatssecretaris tegen de macht aanschurkt, zullen we het er maar op houden dat hij een man van (modieuze) uitersten is met een goede antenne voor de tijdgeest.

Maar ook Weinrebs tegenstander W.F. Hermans werd volgens Grüter gedreven door motieven die meer met zijn eigen frustraties samenhingen dan met de affaire. Aan de basis daarvan lag een langslepend conflict met zijn uitgever Geert van Oorschot, die evenwel de pers hierbij aan zijn kant had gevonden. Daardoor ging Hermans zich solidair voelen met Bep Turksma, een underdog in de Weinrebzaak. Zij was er als gevolg van een misverstand ten onrechte van beschuldigd Weinreb bij de Sipo te hebben zwart gemaakt. Toen linkse studenten het - onjuiste - gerucht verspreidden dat de lector fysische geografie W.F. Hermans aan de Groningse universiteit te weinig college gaf, keerden zijn woede en verbittering zich tegen alles wat links was. En in die hoek zaten de medestanders van Weinreb.

De enige echte 'heldin' in Grüters boek is de inmiddels hoogbejaarde Henriëtte Boas. Wars van polemisch geweld en zonder aantoonbare oneigenlijke motieven schreef zij jarenlang het ene ingezonden stuk na het andere, wijzend op feitelijke onjuistheden of denkfouten in de redeneringen van de Weinreb-clan. Grüter concludeert dat het Boas maar om één ding te doen was: de waarheid. Dat is ook meteen de les die de auteur uit haar eigen boek trekt. Goed historisch onderzoek, dat mythes vernietigt, is het enige middel dat de verwerking van de oorlog bevordert. Ondanks enkele tekortkomingen behoort Een fantast schrijft geschiedenis zonder twijfel tot deze categorie.