De schoonheid en de materie

“Vanaf het moment dat ze een kartonnen bekertje had gepakt leek ze opeens met tegenwind te kampen te hebben gekregen.” De in zichzelf verzonken schoonheid in de coffeeshop levert een ongelijke strijd met het espresso-apparaat.

Op het moment dat ik binnenliep stond ze niet achter maar naast de counter met een vriendin te praten, die vlakbij met haar barkruk tegen de muur leunde. Er was verder niemand in de zaak en het gekwetter van hun stemmen was als het gedempte geklater van een fontein op de lege binnenplaats van een palazzo in Rome. Toen ik mij eenmaal voor die, met een batterij espresso-apparaten volgestouwde counter had opgesteld en het bord met de duizend-en-één keuzenmogelijkheden aan soorten en maten lattes en cappucini begon te bestuderen, draaide ze zich even vriendelijk lachend naar mij om, 'goeiemorgen', en wendde zich vervolgens weer even snel en sierlijk en stralend tot haar vriendin om hun gesprek voort te zetten. Het zou me hebben moeten ergeren, zeker omdat ik haast had, maar dat deed het niet. Geen sprake van. Integendeel. Ik had plotseling alle tijd van de wereld. Ik hoefde nergens meer heen, sterker nog: er was geen plek op aarde waar ik mij juist op dat moment, op deze zonnige maar schrale herfstochtend liever zou bevinden dan juist hier, in deze nagelnieuwe vestiging van een op Amerikaanse leest geschoeide take-away koffieketen, waarvan zij, met een enkele draai op haar hakken het hele manische concept van 'hallo-wat-kan-ik-voor-u-doen-was-dat-alles-en-een-prettige-dag-nog!' in één klap totaal vernietigd had. Ik was vervuld van diep ontzag. Ik wist mij in de aanwezigheid van een Zen-meesteres, één wier inzicht in de aard der dingen zó diep reikt dat - waar zij zich ook bevindt - ruimte en tijd direct, spinnend als een poes, bij haar op schoot komen springen. Het was niet eens dat ze nou zo mooi was. Of liever gezegd, ze was wel mooi, erg mooi zelfs, maar er was meer: ze was volmaakt. En daar bedoel ik mee dat ze volmaakt samenviel met haar schoonheid - dat die niets meer te wensen overliet. Of in ieder geval liet die wat háár betreft niets te wensen over, en dan niet uit hoogmoed of ijdelheid, maar uit tevredenheid, een bedwelmend soort volmaakte tevredenheid met zichzelf. Met zichzelf en dus, automatisch, met alles wat daar zo bij kwam kijken aan wereld, aan geschiedenis, aan leven en misschien zelfs wel - zo hoog schatte ik haar in - aan dood. Omdat ze op een of andere manier besefte - in ieder geval straalde ze iets uit alsof ze dat besefte - dat de hele flikkerse boel uiteindelijk zo was als hij was om háár te kunnen laten zijn zoals ze was.

Zachtrose

Zoals ze daar stond, fonkelend als een ster aan de hemel, kon het niet op allemaal. Het licht dat door de zachtrose en blauw getinte glazen aan de straatkant als bij een kleine kerk naar binnenviel, het straatgedruis dat halverwege de ingang al veranderde in het geruis van bladeren, de pasvorm van haar kleren die zich genotzuchtig tegen haar naar een eeuwige lente geurende huid leken aan te vlijen, de als een zoet parfum om haar heen hangende herinnering aan de vorige avond, doorgebracht aan de keukentafel bij haar moeder, op de dansvloer van een discotheek, in het bed van haar vriend: het vormde alles bij elkaar één betoverende melodie die haar aanwezigheid omzoomde als zwembadwater van precies de juiste temperatuur. En toen ze begon te zwemmen, toen ze zich op een gegeven moment losmaakte uit het gesprek met haar vriendin en zich aan mijn bestelling ging wijden, deed ze dat aanvankelijk bijna zonder de rust van dat water te verstoren - als in een dans. Een dans waarin de danseres één was met het door haar gedanste. Althans, tot het moment dat zij in contact dreigde te komen met het espresso-apparaat. Toen begon er iets te haperen in de goddelijke machine. Ze was van goede wil, daar niet van. Ze was vast van plan de man met de starende blik, in het vaag naar frituurvet geurende leren jek, van zijn groot formaat latte-met-hazelnoot te gaan voorzien, maar vanaf het moment dat ze een kartonnen bekertje had gepakt leek ze opeens met tegenwind te kampen te hebben gekregen. Het water van de stroom der dingen, waarin zij een paar tellen eerder nog als een vis was geweest, leek nu met elke nieuwe beweging sneller in een dikke stroop te veranderen. Om krachten te verzamelen liet ze zich eerst nog maar even stroomafwaarts voeren, terug richting vriendin om weer iets toe te voegen aan de lijst met goede eigenschappen die ze net van haar vriend aan het opnoemen was, en het liefst was ze daar waarschijnlijk nooit meer mee opgehouden en had ze zich oneindig op die dromerige stroom mee willen laten voeren, langs haar vriendin, de straat op, de stad uit, aan de hele wereld voorbij, om tenslotte, zelf ook vloeibaar geworden, met een diepe zucht uit te monden in de oersoep van het grote zichzelf genoeg zijn.

Het in de deuropening achter haar verschijnen van een collega, in de vorm van een benauwd kijkend jongetje met een snorretje van dons, die vroeg waar de sleutel van dit of dat was gebleven, deed echter het getij van haar gedachten keren en het volgende moment spoelde ze weer aan bij het espresso-apparaat met al zijn rood knipogende knoppen, borrelende buisjes en glimmende uitsteeksels. Ze plaatste het kartonnen bekertje op de smalle geperforeerde zinken rand en bewoog haar rechterhand in de richting van één van de daarboven in het apparaat geschroefde hendels met daaraan het bakje waar de gemalen koffie ingaat. Hoewel, 'bewoog' is misschien te sterk uitgedrukt voor een verkleining van afstand die althans met het blote oog op een gegeven moment nauwelijks meer waarneembaar was. Je zou hebben gezworen dat zij dacht dat de machine tegenover haar onder stroom stond of op z'n minst kokend heet was, zo verlammend was de aarzeling die haar beving.

Schandalig mooi

Het was precies deze aan weerzin grenzende aarzeling die mij plotseling deed denken aan een gewezen geliefde van mij, die zo schandalig mooi was, dat ik, hoe nonchalant ik mij ook probeerde voor te doen, niet naar haar kon kijken zonder mij een voyeur te voelen. Sterker nog, ik kreeg in haar bijzijn regelmatig de neiging om zomaar iets van tafel te grissen en tegen de muur kapot te gooien. Maar dat, zoals men zegt, terzijde. Waar het hier nu om gaat is dat die vriendin ten aanzien van het aanraken van dingen, het contact met het stoffelijke in het algemeen, dezelfde schier onoverkomelijke moeilijkheden ondervond als de prinses van de koffieshop nu demonstreerde ten aanzien van het bereiden van mijn latte. Kranen kreeg ze niet opengedraaid en als ze eenmaal openstonden, niet meer dicht. Auto's veranderden bij haar nadering in onkraakbare brandkasten, conservenblikjes in haar handen in hermetisch gesloten vaten kernafval. Er was iets met, nou ja, met DINGEN, dat haar leek te verbijsteren - iets aan de vastheid van hun vorm, de arrogantie van hun weerbarstigheid en hun impliciete, als een geheime code in hun functie opgeslagen gebruiksaanwijzing, dat haar van haar kracht beroofde en volstrekt hulpeloos maakte. Ik kon er razend om worden en werd dat ook vaak - tot het moment dat ik besefte dat er hier sprake was van een metafysisch gebeuren. Het botsen van twee in zichzelf besloten en elkaar uitsluitende universa: die van de materie enerzijds en pure in zichzelf verzonken schoonheid anderzijds - die elkaar net zo fundamenteel afstoten als dubbel plus of dubbel min bij magneten. Het omgaan met dingen, het aanvatten van handvatten, het openschroeven van deksels, was voor mijn vriendin net zo frustrerend als het proberen beet te pakken van een hologram. Sterker nog, het deed pijn, die aanraking: zij en haar zuster van de koffieshop waren alletwee net als de zeemeermin die, om haar prins te kunnen volgen, van een fee weliswaar twee benen had gekregen, maar bij elke stap die ze op het land deed het gevoel had alsof er messen in haar voetzolen gestoken werden. Ik besloot het moment dat de hand de hendel van het espresso-apparaat zou raken niet af te wachten en liep zonder om te kijken de zaak uit. Voor mij vandaag geen latte. Ik was al wakker genoeg.