Cerebrale poëzie van Schouwenaar; Op zoek naar geborgenheid

Margreet Schouwenaar: Van tijd het dood gewicht. Querido, 54 blz. ƒ 29,90

In 1988 debuteerde Margreet Schouwenaar bij de Groningse uitgeverij Boek Werk met Er rijdt een vrouw op de maan. Die eerste dichtbundel kwam te vroeg, want het gros van de opgenomen verzen was te weinig gerijpt en vaak onbeholpen zwaar aangezet. Vier jaar later wist ze in De drempel die vertrek is (Querido, 1992) de zwaartekracht van het woord al beter te beteugelen. Maar pas sinds haar derde bundel, Bezijden tijd (1995), is het mechaniek van haar gedichten inzichtelijk. Het blijkt een geraffineerd drijfwerk. Steeds weer brengt Schouwenaar wat zich als werkelijkheid voordoet in taal tot stolling om het, na een korte desoriëntatie, minstens een kwartslag te draaien en weer zijn gang te laten.

Zo verwarring scheppen vergt een wendbaar taalgebruik, en daarmee heeft Schouwenaar geen moeite. Men sleept aan, schikt zich in de dingen, laat zich telkens anders verstaan

stelt ze in het titelgedicht van haar nieuwe bundel, Van tijd het dood gewicht. Maar het is de vraag of de lezer haar telkens verstaat. Haar wendbaarheid heeft grillige trekken; bij eerste lezing lijkt het dikwijls of de logica van wat ze zegt, en vooral ook hoe ze dat zegt, op willekeur berust dan wel strikt die van Schouwenaar is. Dat maakt haar boodschap onhelder. Hoe toegankelijk is een gedicht dat opent met 'Wat uit haar keel klinkt ligt aan / de mensen die haar raadsels leggen... / Op houvast gebeten / zet zij de dingen val'?

'Spel' is de titel van dit gedicht, maar speels is het allerminst. Want daarin is Margreet Schouwenaar vier bundels lang niet veranderd: haar poëzie is nog altijd ernstig en cerebraal. Dat maakt de consumptie wat moeizaam; maar hiertegenover staat de groeiende kwaliteit van haar beeldspraak. Het waren haar beelden die me na de eerste teleurstellende lezing toch opnieuw verlokten om Van tijd het dood gewicht in handen te nemen. Tedere beelden, zoals 'Ze gaan / huns weegs, de vrouw, het kind, door / de lippen van de regen', maar vooral ook de raak geschetste metaforen van de zondagochtend in het intrigerende 'Streepjespak': Grijs stond het woord op de rand van zijn boord. De dag kroop uit krentenbrood en klokgeluid voort. Een wandeling in het verschiet, de kip tot schrik gewassen op het graniet. Zijn pak niet pas. Alsof er ruimte was. Voor zoeken.

In de loop van de bundel doet Schouwenaar even plastische als verklarende uitspraken over haar metaforiek. 'Beelden / strijken zich glad uit de prop / in mijn kop,' schrijft ze in 'Streepjespak'. Maar niet elk beeld dat zich aanbiedt is voor haar aanvaardbaar. Het woord dat zich in het gedicht 'Stijl' als een gebaar presenteert, bekoort haar slechts even: Wat heeft het kleine voetjes. Watervlug danst het langs zomeroevers waar meisjes uit goedkope boeken flirten met knapen nog zonder blik. Nee, zeg ik! Nee, dit is niet wat ik wil. (...) Nee! zeg ik.

Taal wil ik los van een ogenblik, zodat het een verhaal is uit een stuk steen. Makkelijk in een hand te sluiten. Ketsend over water, hard en ingetogen. Bruikbaar voor het niets dat eenieder treft.

Dat is een poëticale ontboezeming die sleutels biedt tot een beter begrip van Schouwenaars werk. 'Taal wil ik los van een ogenblik' en 'het niets dat eenieder treft'. Regels als 'Vager kan een mens niet zijn. Een stip / die bij de hoek verdwijnt. Enkel geloof' passen nu in een helder perspectief. En het slot van het gedicht waaruit deze regels komen, 'De tijd niet', toont de zowel stokkende als schokkende werking van Schouwenaars mechaniek: 'De hond slaat aan. De tijd kijkt om, / blijft staan.'

Waar, zoals in 'De tijd niet', de spanningsboog over de volle lengte van het gedicht reikt (en dat is soms meer dan een pagina) is Margreet Schouwenaar op haar best. Dat gebeurt vooral ook wanneer ze dicht over de beschutting, de geborgenheid waarnaar ieder mens op zoek is - of het gemis daarvan. Uitvoerig, zoals in 'Vraag', waarin ze zich beeldend wegschrijft uit de werkelijkheid, om gedesoriënteerd achter te blijven met de vraag 'Waar ben ik?' Of doeltreffend terloops, wanneer de beschutting vorm krijgt in het simpele beeld van een jas: Lopen moet ik. Passen wil ik. Voor een gevoerde maat, een gesneden jas.

Zodat ik in iets te vinden raak.