'Wij weten niet veel'

Een paar jaar geleden reden mijn zuster en ik onze moeder naar het verpleeghuis waar tante Hit, geen echte tante maar moeders levenslange vriendin, was opgenomen. Er is een foto van. Tante zit in een rolstoel en kijkt baldadig in de lens. Mijn moeder duwt haar voort met een glimlach die stille verbijstering verraadt. Ik was de camera.

In de kalmte van haar comfortabele bejaardenwoning brokkelt mijn moeder in de jaren daarna langzaam af tot een bijna transparante broosheid, vrolijk als altijd, in het aangezicht van het volstrekte niets, dat haar geen enkele angst inboezemt. Wij zijn sterfelijk. 'Dat is nu eenmaal zo, jongen.' Kort zuurstofgebrek in de hersenen, de zogenaamde TIA, brandt gaten in haar korte geheugen, waar aldoor van alles in verdwijnt. Daarover ontsteekt ze steeds weer in een woede die ze maar een enkele keer weet te relativeren door met een piep-klein galmpje 'Wij weten niet veel!' te roepen, iets uit een vroege kolderspeech van Toon Hermans.

Het gaat allemaal maar net. Er komt Thuiszorg, wat inhoudt dat drie keer per dag steeds weer een andere Greetje, Beppie of Carla, op telkens weer andere tijdstippen, binnenstormt om haar na een blik op de klok onder de douche te zetten, waarvoor ze precies veertien minuten de tijd heeft. 's Nachts ligt ze soms uren in benarde omstandigheden te wachten tot ze tegen achten de buurvrouw durft op te roepen met haar alarm. Het gaat allemaal net niet.

Een lakse huisarts, die het beter weet, doet de rest. Een gierende blaasontsteking alarmeert een doortastende vervanger die het ziekenhuis belt dat echter aarzelt of het deze nieuwe patiënt wel moet opnemen. “Niks mee te maken”, buldert de vervanger, “de ambulance komt er NU aan.” Mijn moeder belandt op een zaaltje met drie bedden, volkomen in de war en al snel volhardend in een volstrekt stilzwijgen. “Oude indiaan onder boom”, mompelt mijn zuster. Maar ze sterft niet, integendeel, ze krabbelt vooral geestelijk weer op, komt daardoor tot het besef van haar situatie, alsdat ze nooit meer terug kan naar haar huisje en begint te schreien, aldoor weer.

Op een stralende donderdagmiddag verwijderen mijn zuster en ik allerlei kostbaarheden uit haar huisje alsmede enige dierbaarheden. “Neem dat suikerpotje nou maar mee”, zegt mijn zus, “dat wilde jij toch altijd al hebben.” “Na haar dood”, piep ik, maar ik neem het toch mee, vul het thuis zelfs met suiker, om mij na een paar dagen zo vreselijk te schamen dat ik het wegstop in de diepste kast die er is.

Kom ik op een middag op bezoek, zit moeder aan haar tafeltje vrolijk te kletsen met Oe Tant zoals mijn bijnamenzieke zus haar zal noemen, een allerhartelijkste vrouw met slechts één tand, wat mijn moeder geschokt moet hebben want 'je tanden zijn je trots' (zelf heeft ze, 87 jaar, haar eigen tanden nog, met slechts een enkele omissie). Ze heeft net vier boterhammen gegeten, een beetje in de krant gelezen en is vannacht uit haar bed geklommen om naar de wc te gaan. Een paar dagen later zal ze bij deze streng verboden handeling ten val komen maar godzijdank niets breken. Na twee weken mag Oe Tant weer naar huis. Mijn moeder zegt dat ze haar heel erg zal missen.

Ze is dus weer enigszins de oude maar kan niet voor of achteruit. Terug naar huis gaat niet meer, dat snapt ze ook wel. Het bejaardentehuis (tegenwoordig 'verzorgingstehuis'), waarvoor ze de hoogste indicatie had, neemt haar nu niet meer en het verpleeghuis, waar haar vriendin vorig jaar is gestorven, heeft een wachtlijst. Ze heeft altijd gewoond in de beschutting van haar dorp, in de veiligheid van haar huis. Nu heeft het leven haar te vondeling gelegd. Slechte moeder. Haar plek is een halve tafel. De andere helft is van steeds weer een ander, aan wie ze steeds weer moet wennen, toch al niet haar grootse talent. Het verbazingwekkende is intussen haar vrolijkheid, al vervloekt ze nog regelmatig 'die kop' van haar, met al die gaten erin en vindt ze er bij vlagen 'allemaal niks meer an'.

“Kijk moeder”, zeg ik, wijzend naar de overkant van het ziekenhuis, “daar ligt het tehuis. Er zijn nog maar enkele wachtenden voor je.” En ik zet haar in de rolstoel en rijdt haar door de gangen naar de lift.

“Kijk”, zegt een vriend van mij die getrouwd is met een twintig jaar jongere vrouw, “daarom heb ik Netty genomen. Kan zij later mijn karretje duwen.” Netty werpt haar hoofd in de nek en schatert van het lachen.