'Op een goede school gaat het om gemeenschapsvorming en gemeenschapsgevoel'; Achter de façade van de verzuiling

Tot schrik van velen blijken er tussen middelbare scholen grote verschillen te bestaan tussen confessionele en openbare scholen. Is dat nog een gevolg van de verzuiling?

ROTTERDAM, 30 OKT. “Voor openbare scholen is het pijnlijk”, zegt Jaap Dronkers, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Want confessionele middelbare scholen doen het het best, zo bleek vorige week zaterdag uit de ranglijst van vrijwel alle Nederlandse middelbare scholen die het dagblad Trouw opstelde in nauwe samenwerking met Dronkers. “Vooral veel openbare scholen in de Randstad zien zichzelf als een vooruitstrevende onderwijselite. Voor hen is het natuurlijk onbegrijpelijk dat juist de rigide, orthodoxe christenen op de gereformeerde en reformatorische scholen het het beste doen.”

Van de verschillende denominaties behaalden de gereformeerde en reformatorische scholen met een 6,4 de hoogste score. Katholieke scholen haalden 6,1, de protestants-christelijke zaten net boven de 6, openbare scholen haalden 5,8, en algemeen-bijzondere 5,3. Het Montessori-onderwijs zat daar nog weer onder met een 5,1.

Het confessionele succes was geen verrassing voor Dronkers, die zich al jaren bezighoudt met kwantitatief onderzoek van leerprestaties, leerlingkenmerken, scholen en het verband daartussen. Een paar weken geleden publiceerde hij - samen met A.B. Dijkstra en R. Hofman - het overzichtswerk Verzuiling in het onderwijs. Dronkers: “Dat het confessioneel onderwijs beter functioneert is helemaal geen cliché. Dat blijkt keer op keer uit onderzoeken. En alleen daaruit is ook het voortbestaan van die verzuiling te begrijpen. Want het werkt. Alleen, het heeft niets met de godsdienst te maken. Achter de façade van de verzuiling speelt zich iets anders af. Het heeft vooral met gemeenschapsvorming te maken, met de bewuste keuze van ouders. Dat zie je ook in het lijstje van Trouw: ook de openbare Stedelijke Scholengemeenschap in Roermond scoort erg goed. In Limburg zijn juist openbare scholen de uitzondering. Verder spelen de betere bestuurlijke omstandigheden een rol: een bijzonder schoolbestuur is minder bureaucratisch, minder bemoeizuchtig dan een gemeentelijke onderwijsdienst. De schoolleiders krijgen veel meer ruimte. Ten derde is er in confessionele scholen een grotere nadruk op Bildung, cultuuroverdracht in plaats van kennisoverdracht. Het openbaar onderwijs is, net als trouwens het algemeen bijzonder onderwijs, veel meer een functionele gemeenschap, geen waardengemeenschap - om met de socioloog Max Weber te spreken. Ik denk dat oude SDAP-scholen om die redenen ook erg goed waren.”

Het relatieve isolement van de reformatorische en gereformeerde scholen pakt dus goed uit, aldus Dronkers. “Ze zijn minder modieus, minder aan de grillen van de politiek overgeleverd dan de openbare scholen. Ze hoeven niet mee te doen aan een verplichte vrouw in de directie of grote fusieoperaties. Ze hoeven niet de eerste te zijn met onderwijsvernieuwingen. Ze wachten af wat er elders gebeurt, en kunnen het beste overnemen.”

Mede door toedoen van de verontwaardigde Montessori-scholen, die met een 5,1 het laagste cijfer kregen, is over de cijfers in Trouw onmiddellijk een publiek debat uitgebroken. Daarbij speelde meteen de tegenstelling op tussen het 'cijferfetisjisme' van Dronkers en de meer sociaal-culturele vorming die óók belangrijk is.

Maar volgens Dronkers gaat het hier om een schijntegenstelling. In zijn analyse hangen sociale vorming en schoolsucces juist nauw samen, zoals blijkt uit het grotere gemeenschapsgevoel op de confessionele scholen. “Natuurlijk mag je beweren dat je je beter ontplooit als je een keer blijft zitten. Staatssecretaris Netelenbos zei zoiets tijdens een discussie met mij op de televisie. Maar ik vind het onzin.”

En verder, andere cijfers spreken de gedachte tegen dat een prestatiegericht schoolklimaat het welzijn van de leerlingen zou benadelen. Dronkers beschikt over de cijfers van veel cohortonderzoeken. Dronkers: “Wetenschappelijk is met deze cijfers van de inspectie niks nieuws ontdekt. Ook de berekeningen waren een fluitje van een cent. Dat deed ik zo op mijn laptopje, zeker als ik dat vergelijk met de multivariate analyses van de cohortonderzoeken.”

In die cohortonderzoeken krijgen leerlingen en hun ouders tal van vragen voorgelegd. Per deelnemende school zou Dronkers dus gemakkelijk een score naar welzijn kunnen maken. Maar bij het verzamelen van de cijfers is expliciet met de scholen afgesproken dat zo'n score niet wordt opgesteld. De scholen zijn beducht voor stigmatisering. Een welzijnsscore per school zou bijvoorbeeld gebaseerd kunnen worden op percentages over ziekte en zelfmoord en op andere indicatoren voor het psychisch welzijn. Die welzijnsscore zou ook gecorrigeerd kunnen worden voor het milieu van de ouders, zodat duidelijk wordt wat de school nog toevoegt.

Dronkers: “Maar die hitlist zal nooit gemaakt worden, zo zijn de afspraken. Maar er is geen sprake van dat hoe lager de prestaties zijn, hoe beter het welzijn is”, aldus Dronkers. “En als staatssecretaris Netelenbos daar kennelijk anders over denkt, waarom heeft ze dan nooit aan de inspectie gevraagd die cijfers te verzamelen?”

Ouders kunnen met zo'n lijst de beste school in de buurt kiezen. Maar wat heeft een school er eigenlijk aan? “Die kan zich vergelijken met de andere. Als een school slecht scoort op mijn rapportcijfer omdat er veel kinderen blijven zitten, kunnen ze dat zo in het lijstje van Trouw zien. Dan moeten ze beslissen: willen we dat? Willen we een cultuur op school waarin dat kennelijk gemakkelijk gebeurt. Er is geen sprake van dat scholen leerlingen strenger moeten gaan selecteren om hoger te komen op de lijst, daar corrigeert het cijfer juist voor. En als ze veel zittenblijvers hebben, omdat ze een balletschool hebben, bijvoorbeeld, dan kunnen ze zelf uitrekenen wat dat 'kost'.”