Lenin ontbreekt in hiernamaals

Voorstelling: De rode kamer, door Echte Mannen (Rik Hoogendoorn en Bruun Kuijt). Regie: Jurriën Rood. Gezien: 28/10 in Klein Bellevue, Amsterdam. Aldaar t/m 1/11; tournee t/m 25/4. Inl. (020) 421 12 21.

Ieders voorland is de vergetelheid, maar voor gestorven beroemdheden bestaat er een tussenfase - zo lang er op aarde tenminste nog genoeg mensen aan hen denken. Zeven jaar geleden baseerde de Nederlands-Tsjechische cineast Otakar Votocek op dat idee de film Wings of fame, gesitueerd in een bovenaards hotel waar het verbleken van de roem voor de tijdelijke bewoners de grootste zorg is. Die film begon veelbelovend, maar wist na verloop van tijd geen verrassende draai aan het intrigerende idee meer te geven.

De nieuwe theatervoorstelling De rode kamer van Rik Hoogendoorn en Bruun Kuijt, alias het duo Echte Mannen, heeft hetzelfde uitgangspunt. Maar hier is de situatie toegespitst op de val van het communisme: van hogerhand is, vanwege de overbevolking van het Herinneringstehuis, besloten dat er gesaneerd moet worden en dat er voor de beroemde Russen uit de twintigste eeuw voortaan nog maar één kamer beschikbaar zal zijn. De vraag is wie die kamer krijgt: tsaar Nicolaas II of Rasputin, Stalin of Trotski. Onderling hebben ze nog het nodige uit te vechten, en ook als bourgeois tegen bolsjewieken. Of misschien moet het Lenin zijn, maar waar is Lenin?

In een behendig rollenspel, waarbij soms alleen de bretels worden verschikt om de volgende claus te zeggen, spelen Hoogendoorn en Kuijt het hele verhaal. Dat begint, net als die film destijds, veelbelovend. Over de erfenis van tachtig jaar Russische revolutie valt immers heel wat te zeggen, en de makers hebben de antagonisten mooi in het nauw gebracht. Bovendien ontvouwt Hoogendoorn ook nog, als een regelmatig opduikende studeerkamergeleerde met vest, pijp en flipover, allerlei gedachten over de rol van de historicus.

Na de schrandere openingsscènes verglijdt de voorstelling echter in slapstick en situatie-grappen die weinig meer van doen hebben met het thema. Daarna maken de malle typetjes de dienst uit, en worden de knappe rolverwisselingen belangrijker dan het conflict. En hoewel de vraag wie die kamer krijgt, uiteindelijk wel wordt beantwoord, is de satire tegen die tijd te zeer verbleekt om daar nog nieuwsgierig naar te zijn.