Kwaliteit van de school lastig te meten

Over publicatie per school van eindexamencijfers en andere schoolprestaties werd tot nu toe altijd erg geheimzinnig gedaan. Het dagblad Trouw doorbrak dat taboe vorige week zaterdag, nadat de rechter beval dat het ministerie de cijfers moest vrijgeven. De school kan nog zo haar best doen, ze is ook afhankelijk van de instroom van het type leerlingen.

ROTTERDAM, 30 OKT. Wat is een goede school? Iedere leraar, iedere ouder en iedere leerling heeft daar zo zijn eigen gedachten over. Er zijn echter maar enkele kwantificeerbare gegevens denkbaar op grond waarvan de ruim zevenhonderd Nederlandse middelbare scholen met elkaar vergeleken kunnen worden.

De eindexamencijfers zijn waarschijnlijk het belangrijkst: als een leerling niet slaagt voor zijn eindexamen, is er iets mis. Hetzelfde geldt voor de overgangsrapporten, repetitiecijfers, cijfers voor mondelinge overhoringen enzovoorts in de andere klassen. Er is veel kritiek mogelijk, maar cijfers vormen nu eenmaal de belangrijkste valuta in de economie van het onderwijs. Hoe gezellig en leuk het verder ook is op school, als veel leerlingen vaak onvoldoendes halen, is niemand blij.

Maar als een leerling slechte cijfers haalt, ligt dat dan aan de leerling of aan de school? Een goede school moet leerlingen kunnen motiveren, maar als een leerling een grote taalachterstand heeft, of kampt met ernstige privé-problemen of geen tijd heeft voor school wegens allerhande bijbaantjes, dan zal hij of zij, zelfs op de beste school, niet snel negens halen op zijn eindexamen.

En als een leerling van huis uit al veel intellectuele en culturele bagage meekrijgt, is het zelfs voor een slechte school niet zo'n grote kunst hem of haar goede cijfers te laten halen. Bij iedere redelijke beoordeling van de kwaliteit van de school moeten dus een of meer wegingsfactoren van de leerlingenpopulatie worden gevoegd. Zonder de kwaliteit van de instroom mee te wegen, is een oordeel over de toegevoegde waarde die een school biedt, zinloos.

Toen het dagblad Trouw voor de rechter had afgedwongen dat het ministerie van Onderwijs de eindexamencijfers en het aantal uitvallers en zittenblijvers van iedere school in Nederland moest vrijgegeven, bood onderwijskundige Jaap Dronkers, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam, onmiddellijk zijn diensten aan.

Hij berekende voor iedere school per afdeling (VBO,Mavo, Havo, VWO) een 'rapportcijfer' op basis van zo'n 25 factoren: het gemiddelde eindexamencijfer voor Engels, Nederlands en Wiskunde A, het percentage onvertraagd geslaagden, en de percentages afvallers en zittenblijvers in de niet-eindexamenklassen (behalve de brugklas), en dat alles gecorrigeerd voor het percentage allochtonen.

Het percentage zittenblijvers was noodzakelijk, omdat eindexamenresultaten alleen weinig zeggen. Als een school de matige leerlingen gewoon laat zitten in de voorlaatste klas of naar andere scholen verwijst, kan ze een eindexamenscore van honderd procent halen. Over de kwaliteit van het onderwijs zegt zo'n resultaat echter weinig.

Het gemiddelde rapportcijfer - en het ijkpunt voor de beoordeling - was een zes. Per standaarddeviatie boven of onder het gemiddelde kreeg een school er een punt bij, of ging er een punt af. De meeste scholen zitten dan ook tussen de vijf en de zeven. “Een vijf is dus ook niet bedoeld als onvoldoende”, relativeert Dronkers zijn beoordeling, “het betekent gewoon dat een school onder het gemiddelde zit.”

Als gevolg van al die wegingen kon het dus gebeuren dat de VWO-afdeling van het Haagse Thomas More College een van de hoogste cijfers kreeg: een negen. Dat was de resultante van een hoog allochtonenpercentage (28 procent), een 'onvertraagd slagingspercentage' (de geslaagden die niet in de voorgaande klas zijn blijven zitten) van 92 procent, twee procent zittenblijvers én een gemiddeld eindexamencijfer van 6,4.

Het Gymnasium Haganum heeft een beter slagingspercentage (99 procent) en het gemiddeld eindexamencijfer is er 7,2, maar toch krijgt die school 'slechts' een zeven, want het Haganum heeft maar 3 procent allochtonen en het percentage zittenblijvers is iets hoger dan op het Thomas More College: 3 procent.

Op die manier zijn duizenden cijfers door de laptop van Dronkers gegaan. Zo kreeg de VBO-afdeling van het Rotterdamse Christelijk College Henegouwen het rapportcijfer twee: de 33 procent allochtonen wogen niet op tegen een slagingspercentage van slechts 60, een zittenblijverspercentage van 12 en een gemiddeld eindexamencijfer van 5,8. De zelfstandige VBO-school De Schalm in Sint-Michelsgestel (nul allochtonen, slagingspercentage 50, 17 procent zittenblijvers, gemiddeld eindcijfer 6,4) kreeg zelfs een 1. Maar de christelijke Mavo De Saad in het Friese Damwoude kreeg een acht (nul allochtonen, slagingspercentage 97, gemiddeld eindcijfer 6,7, zittenblijvers 1 procent).

De Havo-afdeling van het katholieke Raayland College te Venray verdiende met haar extreem hoge gemiddeld eindexamencijfer van 7,6 (allochtonen 3 procent, slagingspercentage 88, zittenblijvers 3 procent) zelfs het absolute maximum: een tien!

De lijst van Trouw is slechts een eerste poging een landelijke lijst samen te stellen. Correctie voor alleen het percentage allochtonen van de héle school is als weging van de 'input' van een school een beetje mager. Zeker omdat per afdeling noodgedwongen het allochtonenpercentage van de hele school wordt gebruikt, terwijl dat percentage behoorlijk kan verschillen tussen VWO- en Mavo-afdeling. Dronkers: “Het is niet ideaal, maar dat percentage was kennelijk het beste wat het ministerie kon bieden. En het is een goede benadering van het opleidingniveau van de ouders. Dat is weer een heel goede voorspeller van de intellectuele en culturele bagage van een kind. En daar gaat het om. Het allerbeste zou zijn om de CITO-toetsen van het kind te gebruiken als correctie op de schoolprestaties. Maar die uitslagen worden nergens verzameld.” Om schijnexact-heid te vermijden, is het rapportcijfer afgerond op hele cijfers - jammer dus voor de school met een 5,44.

Dronkers heeft de afgelopen week veel kritiek gekregen op zijn 'kille' cijfers en zijn 'eenzijdige' correctie. Dronkers: “Natuurlijk is het een benadering, maar het is de best beschikbare, en lang geen slechte. De prestaties van scholen in het noorden van het land worden erdoor onderschat, omdat daar relatief veel laag opgeleide autochtonen wonen. En de kwaliteit van de scholen in de grote steden met veel allochtonen wordt met deze correctie juist overschat, omdat daar juist weer veel relatief hoogopgeleide allochtonen wonen. Ik heb nog overwogen om te corrigeren voor de buurt waarin scholen staan. Maar daar kun je niet aan beginnen, als je niet weet hoeveel leerlingen van een school daadwerkelijk uit die buurt komen. Naar een middelbare school komen kinderen ook van verder weg. Ik had wel willen weten of er een internationale schakelklas of een individueel-VBO-afdeling op de school aanwezig was, maar het materiaal van de inspectie liet zo'n correctie niet toe.”

Een “beetje schuldig” voelt Dronkers zich wel, als er scholen op die gronden protesteren tegen hun 'rapportcijfer'. “Maar als de Montessori-scholen protesteren, denk ik: als ik voor opleidingsniveau van de ouders had kunnen corrigeren, hadden ze het waarschijnlijk nog veel slechter gedaan.”

Verder is Dronkers oprecht trots op zijn rapportcijfers. “Op een congres werd ik al door Franse en Engelse collega's van harte gefeliciteerd. Want in hun landen bestaan prestatielijsten al veel langer, maar daarin worden alleen de eindexamenresultaten gebruikt.”