Het wordt koud op de klimaattop in Kyoto

Eind dit jaar houden de Verenigde Naties weer een grote conferentie over het klimaat. De voortekenen zijn volgens Wolfgang Roth weinig hoopgevend. Dat komt vooral omdat de internationale gemeenschap nog steeds niet handelt naar de ernst van de situatie.

Wanneer in december de staten die het klimaatverdrag van de Verenigde Naties steunen in het Japanse Kyoto bijeenkomen voor hun derde conferentie, zullen zij de wereldvreemdheid van de internationale gemeenschap etaleren. Ze zullen demonstreren dat de internationale politiek er in slaagt de welvaart in een deel van de aarde te vergroten, maar blind is voor de wereldwijde gevolgen van dit welvaartsmodel.

De posities zijn goeddeels ingenomen, want nu heeft ook de president van de grootste economische macht gesproken. Bill Clinton heeft duidelijk gemaakt dat de Verenigde Staten zelfs de afspraken niet willen nakomen die zijn gemaakt op de oprichtingsbijeenkomst in Rio de Janeiro in 1992: pas over vijftien jaar zullen de VS, die wereldwijd een kwart van het broeikasgas kooldioxide uitstoten, op het emissieniveau van 1990 zitten.

Vijf jaar klimaatpolitiek. Vijf jaar, volgepropt met congressen en conferenties. Vijf jaar, waarin bijna alle industrielanden, behalve de volkomen geruïneerde landen van het voormalige Oostblok, nog meer broeikasgassen in de atmosfeer bliezen. De Europese Unie vormt daarop geen uitzondering. Veel landen die tot dusver waren achtergebleven, volgden dit voorbeeld. Ze hebben ook geen andere keus: de rijke landen hebben de achterblijvers immers alleen betere techniek te bieden, maar geen beter economisch model. Zo gaat het riskante experiment met de atmosfeer in steeds hoger tempo verder.

Deze constatering krijgt door haar voortdurende herhaling al gauw wat huilerigs. Nuchter beschouwd illustreert de weigering om de juiste weg in te slaan ook elementaire menselijke trekken: het onvermogen om een op verkiezingcycli georiënteerde politiek af te stemmen op natuurwetten waarvan de gevolgen pas over generaties zichtbaar worden; de misvatting dat men deze natuurwetten te slim af zou kunnen zijn; de verdediging van de relatief comfortabele leefstijl op kosten van andere mensen; het loochenen van onaangename waarheden, zolang die slechts waarschijnlijk en niet tot op het laatste cijfer achter de komma te bewijzen zijn.

Het waren in de regel geen wetenschappers, maar journalisten die jaren geleden rampspoed voorspelden en elke anomalie in het weer, elke overstroming in verband brachten met de klimaatverandering. Maar omdat de Keulse Dom nog altijd op het droge staat, is het modern geworden om van 'klimaatleugen' te spreken. De berekeningen van de klimaatonderzoekers zijn ondertussen nauwkeuriger geworden. Dat leidde tot nadere precisering, maar veranderde niets aan de voor grote delen van de wereld onheilspellende scenario's.

De eis van volledige juistheid van de ingewikkelde modelberekeningen getuigt, voor zover daar geen doorzichtige economische belangen achter zitten, van grote naïviteit. Dergelijke zekerheid biedt de wetenschap hoogst zelden. Er is toch ook niemand die het in zijn hoofd haalt om voorzorgsmaatregelen tegen de gekkekoeienziekte achterwege te laten, omdat onderzoekers de veroorzaker en de wijze van overdracht nog niet hebben gevonden. En maar weinig mensen zullen een medicijn weigeren omdat het hun ziekte slechts met 95 procent zekerheid geneest.

Natuurlijk is er over de these, dat het klimaat verandert door menselijk toedoen, ook discussie onder wetenschappers - en dat moet ook. Maar de voorstelling van zaken, als zouden alle experts die VN-gremia adviseren alleen maar een hersenschim najagen om overheidssubsidies in de wacht te slepen, komt neer op een complottheorie, die voor de politiek niet maatgevend kan zijn.

Het zal dus koud worden in Kyoto. Sommige landen - Japan, de Verenigde Staten - beloven alleen datgene wat ze zonder grote inspanning voor elkaar krijgen. Andere landen - Duitsland voorop - beloven heel veel, zonder dat zij hun ambitieuze doelen met de huidige politiek ooit kunnen bereiken. En landen als China, waarvan de economische ontwikkeling op zich al voldoende zou kunnen zijn om bescheiden milieudoelen te torpederen, doen niet mee. Ergens in niemandsland bevinden zich de kleine eilandstaatjes die als eerste zullen moeten melden dat ze in de golven verdwijnen.

Onder deze omstandigheden kan men bijeenkomsten zoals die in Japan voor tamelijk zinloos houden. Ze zijn echter nodig om de druk op de ketel te houden, want ook als er niet veel uitkomt vormen ze tenminste een mondiaal forum waarin de regeringen zich in al hun tegenstrijdigheden moeten vertonen.

Toch zou het een illusie zijn te verwachten dat de industrielanden in de klimaatkwestie bakzeil halen. Dat komt enerzijds doordat in de internationale betrekkingen aan milieunormen en sociale normen nog lang niet de vereiste prioriteit wordt toegekend, ofschoon ze een wezenlijk onderdeel zijn de veiligheidspolitiek. Steeds meer militaire conflicten hebben hun wortels in de strijd om schaarse bronnen en in de vernietiging van de natuurlijke omgeving die voor de voedselvoorziening nodig is. Een aanzienlijk deel van de immigratie in de rijke landen bestaat nu reeds uit milieuvluchtelingen, en dat deel tendeert te groeien.

De kloof tussen wat gedaan wordt en wat gedaan zou moeten worden, is mede zo groot omdat de machtselites drommels goed weten dat een doelmatige bescherming van het milieu niet verenigbaar is met de traditionele economische benadering. De beperkingen van de end-of-pipe-strategieën, de klassieke aanpak met behulp van filters, zijn allang aangetoond. Zelfs wanneer er een katalysator zou zijn die kooldioxide kan opvangen, dan zou dat effect worden tenietgedaan door de enorme toename van het aantal voertuigen. De ontwikkeling van auto's die minder brandstof verbruiken, mikt wel op de bron, maar daarbij doemen nieuwe problemen op: wanneer het gewicht afneemt kan dat ten koste gaan van de verkeersveiligheid en de recycling.

Het auto- en vliegverkeer is slechts één sector waarin de kloof tussen milieu en vermeende vooruitgang bijzonder breed is geworden. Maar de grootste veranderingen zouden in de energievoorziening in bedrijven en woningen nodig zijn. Het spectrum loopt uiteen van de dure warmte-isolatie van gebouwen tot een grootscheeps offensief voor duurzame energie, in het bijzonder zonne-energie. Dat alles heeft alleen maar zin onder economische randvoorwaarden die de zuinige omgang met energie rendabel maken. Dat raakt niet alleen de structuur van de energiebedrijven, maar vrijwel de hele leef- en werkwijze van de mensen in de staten die men nu nog industrielanden noemt. De overgang naar de dienstverleningsmaatschappij en de globalisering van de markten leiden voorlopig echter tot ándere, en niet tot mínder milieuschade.

Het is niet realistisch te verwachten dat de industrielanden hun politiek in de klimaatkwestie ingrijpend zullen veranderen. Wel realistisch is te streven naar een 'politiek van de lange remweg', waarbij de lasten geleidelijk rechtvaardig verdeeld worden. Wanneer het niet lukt daar in Kyoto mee te beginnen, dan kan het kort dag worden.