Het nieuwe verlangen naar een horizon

Voor de historicus Huizinga was het een conditio sine qua non: elke tijd smacht naar een schonere wereld. Maar anno 1997 lijkt het daar niet op. De mensen zijn gericht op het hic et nunc. Zij die verlangen naar een rechtvaardiger toekomst en dit verlangen ook uitspreken, worden nauwelijks serieus genomen. Ten onrechte, meent Elsbeth Etty.

Cultuur is zo'n omvattend begrip, dat er vrijwel niets over te zeggen is, zonder in fratsen of frasen verstrikt te raken. Maar in Herfsttij der Middeleeuwen heeft Johan Huizinga geformuleerd wat het voor mij altijd zal betekenen: de zucht naar schoner leven. Dát moet het zijn, denk ik: het verlangen naar een horizon. “Iedere tijd”, schreef Huizinga, “smacht naar een schoner wereld. Hoe dieper de wanhoop en verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten.”

Zonder zucht naar een schoner leven kan ik me bij het begrip cultuur niets voorstellen. Maar, om me heen kijkend, vraag ik me af waar dat verlangen, die zucht naar een schonere wereld, zich manifesteert. Blijkbaar valt er tegenwoordig niet zo veel te smachten, te zuchten of te verlangen. Kunstenaars zijn, vanzelfsprekend, wel betrokken bij hun eigen en soms bij elkaars werk, maar niet of veel minder bij de gedachte aan de schonere wereld waar Huizinga van sprak.

Betrokkenheid en cultuur lijken elkaar nu zelfs uit te sluiten. Er zijn wel culturele relletjes, maar het meest opzienbarende opstootje was afgelopen jaar de verontwaardiging over een plasseks-poster, waarmee het Groninger Museum de aandacht wilde vestigen op een tentoonstelling. Bij mijn weten heeft die plasseks-foto meer opwinding veroorzaakt dan de situatie waarin schrijvers in Algerije zich op dit moment bevinden.

Kijkend naar 'de Nederlandse cultuur' bespeur ik noch wanhoop en verslagenheid over het heden, noch blinkende toekomstvisioenen. En op het eerste gezicht is dat natuurlijk alleen maar geruststellend. De wereld is kennelijk perfect, althans onze wereld. Het lijkt erop dat wij in een tijd waarin glorend morgenrood heeft plaatsgemaakt voor zelfgenoegzaam paars zonder utopie kunnen, domweg omdat gerealiseerde utopieën nu eenmaal niet bestaan.

Maar dat zou tegelijkertijd niets minder dan het einde van de geschiedenis betekenen. De Franse historicus François Furet, auteur van Het einde van de illusie, is een van de velen volgens wie de geschiedenis inderdaad ten einde is. Sinds de Verlichting, zegt hij, stond de geschiedenis in een antiburgerlijk programma en in deze zin is de geschiedenis dood. “De geschiedenis staat niet meer in een program dat door rechts moet worden bestreden en door links moet worden vervuld. Wij zijn ertoe veroordeeld, gewoon in die wereld te leven waarin wij leven.”

Hoe anders was dat een eeuw geleden. Toen was de zucht naar schoner leven de drijfveer van alle grote geesten op vrijwel elk cultureel en maatschappelijk gebied. Toen ik tijdens het schrijven van een biografie van Henriette Roland Holst tweeënhalf jaar onder de kunstenaars, denkers en dromers van toen vertoefde, van Berlage, Van Eeden, Herman Heijermans, Gorter en Roland Holst tot Domela Nieuwenhuis, Aletta Jacobs, Troelstra en Wibaut, was het me in het heden soms vreemd te moede. Het veroorzaakte zelfs een lichte cultuurshock als ik merkte dat in mijn eigen tijd elk zuchtje wanhoop over het verwarde heden, en ieder sprankje verlangen naar een schonere of rechtvaardiger toekomst, onmiddellijk werd veroordeeld als 'politiek correct', wat een verschrikkelijk scheldwoord blijkt te zijn.

Zo is het ongetwijfeld politiek correct, en kan dus met dédain worden geconstateerd, dat de schijver J.J. Voskuil zich verplicht voelt tot een aandoenlijke strijd voor een lotsverbetering van de varkens. En zo was het natuurlijk nog veel politiek correcter om vraagtekens te zetten bij de inhumane uitzetting van een in Nederland geworteld gezin naar Turkije. Betrokkenheid en idealisme zijn verdacht.

Maar, waar komt dan ineens de hevig toegenomen aandacht vandaan voor wat er zich aan het begin van deze eeuw afspeelde? Het zal toch niet toevallig zijn, dat juist de afgelopen jaren kort na elkaar de biografieën verschenen zijn van Frederik van Eeden, Herman Heijermans, Herman Gorter en van de vorstin der utopieën, Henriette Roland Holst? Niet alleen waren deze kunstenaars tijdgenoten, ze hadden ook gemeen dat ze bezeten waren van de gedachte aan een betere toekomst. Van Eeden, die behalve schrijver ook psychiater was, beschouwde zich als de geneesheer van de zieke maatschappij. Over Heijermans, de toneelschrijver, zegt zijn biograaf Hans Goedkoop, dat hij de dromen van het volk verwoordde, de dromen van verlossing uit de pijn van het bestaan. Voor duizenden had hij een taal gevonden voor geluk.

Herman Gorter en Henriette Roland Holst werden dit jaar precies een eeuw geleden, in 1897, samen lid van de SDAP, een politieke partij gewijd aan de emancipatie van de arbeiders, materiële vooruitgang, bestaanszekerheid en vooral: een schone toekomst voor iedereen. In dienst van die idealen besloten zij hun kunst te stellen. Hun basisidee was dat alle mensen, omdát zij mens zijn, deel hebben aan één en dezelfde menselijke waardigheid en dus in fundamentele zin gelijk zijn: geroepen om in gelijkheid en wederzijds respect te leven.

Hoe dieper de wanhoop en verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger de zucht naar schoner leven, zei Huizinga, die zelf deel uitmaakte van de kring van schrijvers, beeldend kunstenaars, architecten en musici waartoe ook Henriette Roland Holst en haar vrienden behoorden. Bij alle verschillen in maatschappijopvatting hadden al deze mensen gemeen dat ze betrokken waren, niet alleen bij elkaars werk, maar ook bij de gebeurtenissen die hún verwarde tijd kenmerkten. Dat zo'n uitgangspunt niet per definitie grote kunst oplevert, is iets wat uit alle biografieën naar voren komt. We hebben van deze eeuw ook geleerd wat de keerzijde van hun streven was. De vruchtbare bodem van het utopische denken is onvermijdelijk ontvankelijk voor het zaad van het despotisme dat de mensheid tot het goede denkt te kunnen dwingen, ook als die mensheid dat uitdrukkelijk niet wil.

De hoopvolle verwachtingen van een eeuw geleden zijn ten onder gegaan aan dat despotisme. Maar heeft dáármee ook het smachten naar een schoner toekomst voorgoed afgedaan? Ik geloof er niets van. Dat zou zou er op neerkomen dat wij het menselijke tekort hebben opgeheven. Zelfs Gorter, Roland Holst en Van Eeden waren, in al hun utopisme, niet zo hoogmoedig om dat zelfs maar voor mogelijk te houden.

Soms betrap ik mezelf op heimwee naar hun tijd. Zij waren ervan overtuigd dat juist kunstenaars geroepen en in staat zijn oordelen te formuleren met een draagwijdte die als algemeen-menselijk kan worden aangemerkt. Eerlijk gezegd deel ik die overtuiging, ook als het over onze tijd gaat.

Waarschijnlijk is ook dit heimwee een kenmerk van de cultuur van vandaag. Heimwee naar de tijd waarin de rampen die onze eeuw kenmerken zich nog niet hadden voltrokken en zelfs niet denkbaar waren, naar de tijd waarin de schoonheid haar gezicht nog niet had verbrand, en vooral naar de toekomstdroom, het idealisme, het vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving, en de zucht naar schoner leven die ooit, aan het begin van deze eeuw, heeft bestaan.