Employability is vooral modegril

Employability, hèt modewoord van personeelsbeleid in het fin de siècle. Joep Bolweg (NRC Handelsblad, 15 oktober) schrijft over de hype, maar legt slecht uit waar het over gaat.

Employability is een samentrekking van employee adaptability en heeft tot doel de inzetbaarheid van de werknemer (m/v) zo groot mogelijk te maken. De kans dat (tijdelijk) geen behoefte is aan de kennis en/of vaardigheden van de werknemer wordt hierdoor verkleind. Mocht hier toch langdurig sprake van zijn, dan is er weinig aan de hand, de werknemer zit immers vol kennis en vaardigheden en zal eenvoudig een andere werkgever kunnen vinden.

Tot zover de algemene uitgangspunten. Volgens Bolweg zetten met name werkgevers en overheid zich in om de employability van werknemers te vergroten. Managers zijn wat minder geïnteresseerd; al te veel employability ondermijnt de stabiliteit die nodig is voor het besturen van 'hun personele tent'. Ook werknemers zijn nog te veel gehecht aan hun huidige functie en collega's om het belang van hun employability te zien.

Bolweg stelt derhalve dat dwang noodzakelijk kan zijn om employability te bevorderen. De vakorganisaties zijn geen voorstander van dwang, vandaar dat hij blij is dat ook minister Wijers (Economische Zaken) employability heeft ontdekt. 'Paars' hoeft alleen “nog even de gerichte noodzakelijke aanpassingen van vele institutionele regelingen” tot stand te brengen.

Employability is een buzz word: het zoemt rond, maar de precieze betekenis is niet altijd even duidelijk. In de automatiseringsbranche bijvoorbeeld, is employability ver te zoeken. Toch is dat de ideale sector: veel jonge en hoog opgeleide werknemers die van doorslaggevend belang zijn voor de prestaties van een organisatie.

Ten tweede: hoeveel employability kan van de ene dag op de andere geëist worden van een werknemer die al twintig jaar hetzelfde werk doet. Ten derde: op sommige segmenten is de arbeidsmarkt nu al vrij krap. Hoeveel nut heeft het om te investeren in een soepele uitstroom van werknemers op een moment dat juist de instroom problemen oplevert?

Wellicht betreft het een soort anticyclisch personeelsbeleid waarbij huidige werknemers alvast worden voorbereid op de crisis in het jaar 2002. Dat is niet eens zo gek, maar wel erg duur. Niet alleen moet betaald worden om de inzetbaarheid van de werknemers te vergroten, er zal ook in de buidel getast moeten worden om die multi-inzetbare werknemers aan het bedrijf te binden.

Bolweg lijkt employability vooral in te zetten om het bijna doodgeknuffelde poldermodel onderuit te halen. Ten eerste suggereert hij, dat collectieve arrangementen de individualistische benadering van employability in de weg zouden zitten. Niets is minder waar. Al anderhalf decennium is bekend dat regelingen voor alle werknemers (bijvoorbeeld collectieve loonsverhoging) zich uitstekend laten combineren met individuele regelingen (bijvoorbeeld prestatieloon). Sterker nog, het lijkt erop dat de combinatie het meest effectief is - werknemers worden afgerekend op individuele prestaties met collectieve bescherming tegen willekeur.

Ten tweede vindt Bolweg het feit dat vakorganisaties besluitvorming kunnen vertragen en dat ze soms fouten maken voldoende reden om hun invloed te beperken. Dat hun betrokkenheid een stabiliserende werking heeft en beslissingen legitimeert, vergeet hij. Dat is jammer want op deze wijze dragen ze bij tot de zo noodzakelijke rust in diezelfde personele tent.

Bolweg wil managers en werknemers dwingen beproefde methoden in te ruilen voor de laatste hype. Waarom een werknemer een managementtheorie zou prefereren boven huidige institutionele regelingen wordt niet toegelicht. Wel is duidelijk dat Wijers de grote roerganger is geworden van antivakbondssentimenten nu Bolkestein wijselijk zwijgt over de wet AVV, waarin de reikwijdte van bedrijfstak-CAO's is geregeld.