Een Frans-Angolese streep in het zand

In Congo-Brazzaville heeft een verkozen president plaatsgemaakt voor een krijgsheer. Overigens niet zonder hulp van buitenaf. De verdreven president maakte machtige vijanden en de zegevierende generaal heeft machtige vrienden.

ROTTERDAM, 30 OKT. Generaal Denis Sassou N'Guesso verwisselde zaterdag zijn vechtpak voor een scherp gesneden maatkostuum en liet zich in een platgeschoten Brazzaville installeren tot president van de Republiek Congo. De magistraat die de formalisering van Sassou's militaire machtsgreep een schijn van legaliteit moest verlenen, was enkele dagen eerder door de winnaar van de burgeroorlog aangesteld tot procureur-generaal. De in 1992 verkozen en nu met de wapens verdreven president, Pascal Lissouba (65), riep de wereld uit ballingschap op Sassou's “dictatoriale bewind” niet te erkennen. Vergeefs: de plechtigheid in Brazzaville werd bijgewoond door een twaalftal ambassadeurs, onder wie de Franse.

In Congo-Brazzaville hebben machtspolitieke overwegingen het glansrijk gewonnen van democratische blauwdrukken. De verkozen president maakte machtige vijanden en de zegevierende generaal heeft machtige vrienden. De prille democratie in dit Midden-Afrikaanse olieland delfde het onderspit in een bloedige botsing tussen tribale milities, buitenlandse huurlingen en, uiteindelijk, een invasiemacht uit buurland Angola.

Lissouba, die zijn toevlucht heeft genomen in Burkina Faso, wees deze week met een beschuldigende vinger naar Frankrijk. Tegen het dagblad Le Figaro zei hij: “Als de Franse belangen gediend zijn bij mijn uitschakeling, heb ik niets meer te zeggen. Ik vraag me alleen af of Frankrijk ook de belangen van het Congolese volk dient”. Over de Franse oliemaatschappij Elf-Aquitaine, die de oliebronnen voor de Congolese kust exploiteert, was Lissouba duidelijker: “Ik heb vernomen dat Sassou gunstiger financiële voorwaarden heeft aangeboden aan Elf, dat dringend behoefte heeft aan geld om kostbare projecten op stapel te zetten.” Over Sassou, die van 1979 tot 1992 een autoritair bewind voerde over Congo, zei Lissouba: “Mijn grootste vergissing is geweest dat ik destijds zijn veroordeling heb voorkomen. We beseften niet welk een slang we aan onze borst drukten. We hadden moeten toeslaan als tijdens de Franse Revolutie”.

Dat Lissouba fouten heeft gemaakt, staat vast, maar de Franse rol bij zijn militaire nederlaag is minder duidelijk. In de Atlantische oliehaven Pointe-Noire, die op 15 oktober werd bezet door Angolese troepen, zitten nog steeds drie Franse zakenlui vast, volgens een Franse diplomaat op beschuldiging van steun aan Lissouba. Elf, dat in de jaren tachtig uitstekende relaties opbouwde met toenmalig president Sassou N'Guesso, lijkt het spel zeer opportunistisch te hebben gespeeld. Volgens het weekblad L'Express heeft de oliereus aanvankelijk de zittende president verkozen boven protégé Sassou. Dit jaar zou het bedrijf echter hebben overwogen om de uitbetaling van verschuldigde belastingen aan Lissouba's regering op te schorten. Dat voornemen zou, na goedkeuring van Defensie, op een veto zijn gestuit van Buitenlandse Zaken en het Élysée.

De Verenigde Staten hebben de Angolese interventie - met wapenleveranties, inzet van MiG-21-gevechtsvliegtuigen en 3.500 man troepen - veroordeeld, maar Parijs deed er het zwijgen toe. Die terughoudendheid suggereert dat Frankrijk heeft gekozen voor Sassou. Premier Jospin, wiens kabinet aantrad op 5 juni, dezelfde dag dat de vijandelijkheden uitbraken in Brazzaville, koos voor non-interventie en zette, op aandringen van het Élysée, zijn kaarten op de bemiddelingspogingen van een bevriend staatshoofd, president Omar Bongo van Gabon. Bongo is gehuwd met een dochter van Sassou en Lissouba verdacht hem van partijdigheid. Toen Lissouba in september belet vroeg bij Chirac kreeg hij nul op het rekest. De socialistische staatssecretaris van Internationale Samenwerking, Charles Josselin, zei begin oktober: “Lissouba had nog onvoldoende blijk gegeven van vredeswil, maar dat gold ook voor generaal Sassou”.

De regering-Jospin wilde geen partij kiezen, maar een adviseur van president Jacques Chirac bekende vorige week tegenover L'Express dat men in het Élysée een “zucht van verlichting” had geslaakt toen het militaire pleit was beslecht. Sassou N'Guesso is sinds 1983 goed bevriend met Chirac. De vriendschappen gaan nog verder terug. De militair Sassou is opgeleid door Franse instructeurs, eerst in Cherchell (Algerije), vervolgens aan de infanterieschool te Saint-Maixent en hij geniet sympathie bij de Franse generale staf. “Welwillendheid, meer niet”, verzekert men bij Defensie. Daar zegt men dat de Franse steun voor Sassou's greep naar de macht vooral van particuliere zijde kwam. In Sassou's basis Mikalou, benoorden Brazzaville, waren, behalve voormalige leden van ex-dictator Mobutu's garderegiment, ook Franse huurlingen gelegerd. De militairen uit Tsjaad, die de gelederen van Sassou's Cobra-milities kwamen versterken, zijn uitgezonden door het Franse bedrijf Geolink, volgens bronnen bij Defensie via bemiddeling van presidentieel adviseur Fernand Wibaux. Dat is dezelfde connectie die in de eindstrijd om de Zaïrese stad Kisangani Servische huurlingen met een Frans paspoort inzette aan de kant van Mobutu's instortende leger. Met wiens officiële zegen is dit scenario herhaald? L'Express formuleert het bloemrijk: “De dunne wand tussen officieel en officieus, tussen officier en offerte kan slecht tegen de Afrikaanse zon”.

Volgens diplomaten in Kinshasa zou de Franse ambassade in Brazzaville - die de strijd ongeschonden heeft doorstaan, terwijl de rest van de stad oogt als Berlijn in mei 1945 - als coördinatiecentrum hebben gediend voor de steunoperatie aan Sassou. De Franse ambassadeur in Kabila's Congo, Michel Rougagnou, toonde zich na de val van Pointe-Noire, op 15 oktober, opgetogen. Voor de Congolese televisie zei hij: “We zien geen enkele reden voor slechte betrekkingen met president Sassou N'Guesso (generaal Sassou zou pas een week later worden geïnstalleerd). Voordat Lissouba werd gekozen en Sassou president was, waren de betrekkingen met Frankrijk volkomen normaal”. Medeleden van de Europese Unie zijn minder verrukt. Minister Pronk, op dat moment in Rwanda, sprak zich na de val van Pointe-Noire uit tegen erkenning van Sassou's regering en vergeleek die met het Buyoya-bewind in Burundi: “Ze zijn aan de macht, maar dat maakt hen nog niet legitiem”. Bonn liet weten hulp aan Congo-Brazzaville pas te hervatten als “het democratische proces weer op gang komt”.

Een Europese diplomaat in Kinshasa: “De Fransen hebben een streep getrokken in het zand om de 'anglofone opmars' langs de as Kampala-Kigali-Kinshasa te stoppen”. Dat Lissouba het monopolie van Elf wilde breken en contact zocht met Amerikaanse oliemaatschappijen, wekte weerzin in Franse zakenkringen en bij hun politieke vrienden. Parijs hoefde niet openlijk tussenbeide te komen, omdat Lissouba zich de vijandschap op de hals had gehaald van Angola. Scherpslijpers in het Angolese leger, dat tijdens de Koude Oorlog door zijn Sovjet-connectie tot de tanden is bewapend, zagen met lede ogen aan hoe Lissouba toenadering zocht tot Jonas Savimbi, leider van de voormalige rebellenbeweging UNITA. Angolese MiG's bestookten begin oktober het presidentiële paleis in Brazzaville en trokken op hun manier een streep in het zand.