Echtscheiding (1)

'Ach, wat was geluk gewoon in die dagen!' schrijft Ite Rümke (NRC Handelsblad, 23 oktober), verwijzend naar het geringe aantal echtscheidingen vroeger, vóór 1970. Bij voorkomende huwelijksperikelen nam men het gevoel uit elkaar gegroeid te zijn op de koop toe en bovendien deinsde men terug voor de schande die een echtscheiding met zich meebracht.

Dit is echter maar een deel van het verhaal. Wat Rümke niet vermeldt is het feit dat scheidingswensen in het verleden dikwijls niet gehonoreerd konden worden vanwege de rigide wetgeving. Als er geen sprake was van schuld van de huwelijkspartner (door overspel, kwaadwillige verlating, veroordeling tot een gevangenisstraf van meer dan vier jaar of levensgevaarlijke mishandelingen) èn als geen van beiden bereid was te veinzen dan hij/zij overspel had gepleegd ('de grote leugen'), dan was het verkrijgen van echtscheiding ten enen male onmogelijk. Het is dan ook te rooskleurig voorgesteld wanneer Rümke schrijft: 'als een van de partijen zich ertegen verzette, kon het jaren en jaren duren voor een huwelijk werd ontbonden.' Nee, echtscheiding was dan gewoon niet mogelijk.

Wat dit overigens betekende voor betrokkenen is zeer beeldend beschreven door Benno Stokvis in zijn boek 'Echtscheiden: 35 jaar huwelijkstragedies' (1940). Als advocaat was hij knap moedeloos geworden van het vele huwelijksleed waarmee hij in zijn praktijk werd geconfronteerd en waaraan hij niets vermocht te doen. Zijn boek vormt dan ook een felle aanklacht tegen de bestaande echtscheidingswetgeving. Hij schreef: 'Vijf-en-dertig levensdrama's uit de honderden, die aan mijn oogen zijn voorbijgegaan, en die ik tot ontknooping had te brengen. - Ik zie ze vóór mij, die mannen en vrouwen [...], murwgeslagen door het leven, die niets op deze wereld meer begeerden dan bevrijding uit het juk, waarin de Wet hen vastgeklonken hield.

Zo 'gewoon' was geluk in die dagen niet...