Dirigent Thielemann hoopt zich naar roem te zwaaien

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Christian Thielemann m.m.v. Lars Vogt, piano. Programma: C.M. von Weber: ouverture Euryanthe; L. van Beethoven: Pianoconcert nr 1; R. Schumann: Tweede symfonie. Gehoord: 29/10 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 30/10; 2/11. Radio: 2/11 14.15 uur Avro Radio 4 (rechtstreeks).

Twee debuten gisteravond bij het Koninklijk Concertgebouworkest: de Duitse dirigent Christian Thielemann (38), sinds september de Generalmusikdirektor van de Deutsche Oper in Berlijn, en zijn zo'n tien jaar jongere landgenoot Lars Vogt, die carrière maakte sinds hij in 1990 de tweede prijs won op de Leeds International Piano Competition. Het concertprogramma behelsde Duitse muziek uit een periode van vijftig jaar: van Beethovens Eerste pianoconcert (1795) tot Schumanns Tweede symfonie (1845-'46).

Christian Thielemann, in Duitsland omstreden omdat hij muziek van foute componisten als Pfitzner uitvoert, is een opmerkelijk verschijnsel: hij heeft een sterke hang naar de vrijwel voorbije glorietijd van het legendarische dirigentendom, waarvan hij zich de nog jonge en geleidelijk ervaring opdoende erfgenaam wil voelen.

Groots, meeslepend en hoogstpersoonlijk moet zijn stijl worden en zijn vaak heftige gebaren en uitvergrote houdingen op het podium zijn daarop nu al geheel afgestemd. Vooral de geheel zijwaarts zeer ver uitgestrekte linkerarm, die hij met een iets geknikt hoofd goedkeurend nakijkt, is een karakteristieke pose. Daarbij lijkt hij met licht wapperende hand de muziek uit zijn mouw te schudden. Een deel daarvan is vooral aan de zaal besteed, want het Concertgebouworkest volgde hem hoorbaar met enige scepsis op afstand om al te uitbundige extremen te vermijden.

In Webers ouverture Euryanthe (1822-'23) etaleerde Thielemann zijn aanpak die het concert goeddeels zou beheersen: een grote orkestbezetting, een sterk opgevoerd contrast in de tempi en een iets minder aangezet contrast in de dynamiek, het verschil tussen pianissimo en fortissimo. Als hij de muziek laat terugvallen in zeer zacht en erg langzaam is dat vrijwel altijd automatisch vervoerend en epaterend. Maar de combinatie van hard en snel is veel moeilijker muzikaal interessant en fraai van klank te maken, zo bleek ook later in Schumanns Tweede, waarin hoofd- en bijzaken ook in de balans niet altijd ideaal op elkaar waren afgestemd.

Het mooist waren dan ook de van zichzelf al langzame delen: het Largo in Beethoven en het Adagio espressivo in Schumann. Vooral dat laatste was echt verheffend: Thielemann weet zo'n deel vorm en richting te geven en met waarachtige muzikale intensiteit op te laden. In de snellere delen had het musiceren wat minder artistiek niveau.

Lars Vogt bleek in Beethovens Eerste pianoconcert (in feite het tweede van de componist) een instrumentalist met virtuoze aspiraties in zijn veelal lichte, opvallend vingervlugge spel, al kan Mitsuko Uchida in Beethoven nóg parelender spelen. Beethovens zeer lange cadens (met bijna zes minuten een derde van het hele eerste deel!) kreeg gisteren echter iets te weinig profiel om onophoudelijk te kunnen boeien en verbazen. Op de cd-opname die hij onder leiding van Simon Rattle voor EMI maakte van Beethovens eerste twee pianoconcerten lukte dat beter.