De waarschuwingen van dinosaurussen

Een golf cultuurpessimisme spoelde opeens over het scherm. Zij bestreek uiteenlopende gebieden als die van de psychiatrie, film en radio, waar volgens de zegslieden (van gevorderde leeftijd) veel, zo niet alles, mis dreigt te gaan.

Netwerk had psychiater Jan Foudraine uit de psychotherapeutische mottenzak gehaald. De laatste keer dat ik hem in levenden lijve zag, was hij nog een in oranje gehulde tovenaarsleerling van Bhagwan met stoeten vrouwelijke bewonderaars aan zijn voeten.

Hij heeft inmiddels een nieuw boek geschreven, Bunkerbouwers, waarin hij net als in zijn vorige, Wie is van hout?, tegen de gevestigde psychiatrie van leer trekt. Die zou, méér dan ooit, in de greep zijn van de farmaceutische industrie. “Men heeft al veel psychiaters in dienst en sponsort allerlei congressen. Het is ongehoord.”

“Het moet maar eens afgelopen zijn met al die wetenschappelijke poeha en arrogantie”, vond hij. Eerder had hij gezegd: “We zijn hier om gelukkig te worden. Waarom zijn we dat dan niet?”

Foudraine schoof als vanouds de officiële psychiatrie de schuld in de schoenen, maar zijn aanval zou aan kracht winnen als zijn alternatief overtuigender was. Dat bleef rijkelijk vaag. Hij hield 'een pleidooi voor de psychotherapie' met een uiterst wollig vocabulaire: “De therapeut kan de ontmoeting regelen met de afgeslotenen. Als je dat bent, komt er geen zuurstof in je bunker. En zuurstof is liefde.”

Meer 'praten' dus? Nee, voegde hij er streng aan toe, meer 'ontmoeten'.

Indrukwekkender vond ik de onderkoelde tirade in VPRO's Stardust van de Duitse filmregisseur Wim Wenders tegen de filmindustrie. Hij prees zichzelf gelukkig tot een generatie te behoren, die in de jaren zestig en zeventig op haar gemak kwaliteitsfilms had kunnen maken. “Jonge filmers moeten nu jaren wachten voor ze een tweede film kunnen maken. Dan moeten ze alles weer opnieuw leren.”

Hij beschreef een ingrijpend veranderd medialandschap waarin het door Amerika beheerste consumentisme allesbepalend is. “Het is heel moeilijk om nu een serieuze film te maken. Twintig jaar geleden kon je gemakkelijk de financiering rond krijgen met subsidies en tv-geld. Nu eist men succesfilms, ook de overheid.”

Wenders zag te veel 'films over films, of ontleend aan andere films' en te weinig 'films over het leven'. Hij wilde meer 'verhalende films', maar dat is 'dinosaurussencinema' geworden.

Hij constateerde dat de filmkritiek geen factor meer is van belang. “De mensen gaan nog nauwelijks op basis daarvan naar de bioscoop. Ze gaan alleen op grond van reclame en promotie.”

Eén lichtpuntje zag ik in zijn betoog: hij vond zijn eerste films nu wel heel erg traag, zó zou hij het niet meer doen. Het was dus toch niet zo vreemd dat we ons destijds soms - uiteraard zonder het toe te geven, want de kritieken waren laaiend enthousiast geweest - stiekem een beetje zaten te vervelen.

Overdreef dinosaurus Wenders in zijn somberheid? Het viel op dat de jongere Engelse filmregisseur Mark Henman dezelfde geluiden liet horen. Naargeestige scenario's kreeg je niet gefinancierd met Amerikaans geld, had hij gemerkt. “En de meeste Europese films redden het alleen als ze overzee, in bijvoorbeeld Amerika en Japan, succes hebben. Dat is het probleem.”

In De kwestie op RTL 5 ging het over de benarde positie van de publieke radio. Radio 3 is met tientallen procenten op de luistermarkt gezakt, het commerciële Sky Radio met 152 procent gestegen. “Sky Radio is een jukebox, het is geen radio, maar behang”, zei KRO-programmamaker Frits Spits.

Spits had de hoop voor de publieke radio nog niet opgegeven. Werd er daar niet veel te veel door de diskjockeys geouwehoerd, vroeg zijn interviewer hem. “Er is goede en slechte radio”, zei Spits, maar hij gaf toe dat 'de bazen' de publieke zenders beter zullen moeten organiseren. Dat was mij uit het hart gegrepen. Er zijn wel goede dingen op de radio, alleen: probeer ze maar eens te vinden.