De strijd om de knikkende knie

Het is een vast gegeven dat bij het naderen van verkiezingen nogal wat Tweede-Kamerleden last krijgen van wroeging. Een verschijnsel dat veel minder voorkomt bij ministers voor wie dezelfde verkiezingen toch ook belangrijk zijn. Die uiteenlopende houding van beide soorten politici is goed verklaarbaar. Ministers hebben de taak hun gevoerde beleid uit te venten en daaraan de belofte te koppelen dat het allemaal nog beter kan worden. Daar past geen twijfel bij. Maar Kamerleden?

Natuurlijk, als ze tot de oppositie behoren is hun taak duidelijk. Het probleem zit dan ook vooral bij Kamerleden van regeringsfracties. Die blijken tegen het eind van de zittingsperiode - nadat ze 'hun' kabinet door dik en door dun hebben gesteund - altijd weer oog te krijgen voor de wezenlijke taken van het parlement. Dat moet meer afstand nemen van de regering en zijn controlerende taak beter waarmaken. De erkenning vier jaar lang als stemvee te hebben gefungeerd doet het niet echt goed bij de kiezer. Dus ontpoppen de lammeren zich steevast als toekomstige leeuwen. Let op het woord toekomstig. Veel verder dan verbale retoriek komt het opkomen voor de rechten van het parlement namelijk niet. Na de verkiezingen is er immers weer een nieuw kabinet dat blinde steun verdient.

Het klinkt wellicht wat cynisch, maar wie wordt er niet cynisch van de wetenschap dat over dit soort zaken in Nederland alleen maar vrijblijvend wordt gepraat. Een krachtig en kritisch parlement is een prachtig ideaal dat vooral niet in de praktijk moet worden gebracht. “We voeren de motie niet uit”, brult de minister van Financiën schaterlachend in de Tweede Kamer en de Kamerleden brullen mee in plaats van de minister een draai om de oren te geven wegens vergaande minachting van het parlement.

Intenties om het beter te doen waren er bij het aantreden van het huidige kabinet voldoende. In zijn regeringsverklaring noemde minister-president Kok het dualisme een “kernpunt” van de wijze waarop het kabinet zou opereren. “Het adagium 'de regering regeert en het parlement controleert' is uitgangspunt”, aldus Kok ruim drie jaar geleden. Het is juist de controlerende taak van het parlement waarover de Kamerleden thans zoveel zorgen uiten.

Eerst was het PvdA-fractievoorzitter Wallage die vond dat de volksvertegenwoordiging zich beter diende te wapenen tegen het monopolie van de feiten, zoals dat door de regering werd bezeten. Hij pleitte daarom onlangs voor meer onderzoek-ondersteuning aan het parlement. Alleen jammer dat hij een identiek pleidooi drie jaar geleden ook al eens heeft gehouden, maar er verder geen vervolg aan heeft gegeven. Dat maakt de zorgen toch wat minder overtuigend.

Deze week kwam Wallages fractiegenoot Van Zijl tijdens een bijeenkomst elders in Den Haag met een meer uitgewerkt idee. De derde woensdag in mei zou volgens hem gereserveerd moeten worden als dag waarop in de Tweede Kamer de “algemene verantwoordingsbeschouwingen” worden gehouden. Want, aldus Van Zijl, de Kamer moet zich niet alleen bezighouden met te voeren beleid, maar ook met de vraag wat er van het beleid is terecht gekomen. Vandaar de jaarlijkse verantwoording.

Nu is zo'n pleidooi allereerst curieus uit de mond van een politicus van een partij die in het net gepresenteerde verkiezingsprogramma geheel verzuimt verantwoording af te leggen voor de discrepanties tussen het vorige verkiezingsprogramma en het daarna gevoerde beleid. De PvdA-kiezer stemde in 1994 voor een programma dat acht miljard gulden aan bezuinigingen voorstelde. Het werd uiteindelijk meer dan het dubbele. Waarom? Geen woord daarover in het nieuwe programma. Maar los daarvan, wat wil Van Zijl nu eigenlijk? Hij wil iets institutionaliseren, terwijl de instrumenten voor een effectieve controle er reeds lang zijn. Ze worden alleen niet gebruikt. Het is niet aan de regering om op de derde woensdag van mei verantwoording af te leggen, maar aan de Tweede Kamer door op elk door haar gewenst moment te eisen dat verantwoording wordt afgelegd.

Daar zit juist de kern van het probleem. Zodra het parlement overweegt de regering ter verantwoording te roepen, gaan politieke afwegingen een dominante rol spelen. Al heel gauw gaat het niet meer over de zaak zelf, maar over de averij die de betrokken bewindspersoon wellicht kan oplopen als gevolg van de gevraagde informatie. Het is deze instelling die telkenmale tot een verkramping leidt, waardoor elk volwaardig debat onmogelijk wordt. Wallage en Van Zijl maken beiden de fout door de oplossing van het probleem te zoeken in de middelen, terwijl het allereerst gaat om een mentaliteit. Als Kamerleden blijven denken in termen van 'eigen ministers' wordt het met die soevereine controletaak nooit wat.

Paars heeft bewezen in dit opzicht niet wezenlijk anders te zijn dan alle voorgaande kabinetten, waarin de christen-democraten altijd een belangrijke rol speelden. Welke partij riep er in 1994 om het hardst dat er duizenden politieagenten bij dienden te komen? De VVD. Welke van de drie regeringspartijen heeft het meeste compassie met de VVD-minister die zelfs een beperkte uitbreiding bij lange na niet waar kan maken? De VVD. Het is allemaal uitermate voorspelbaar. De Tweede Kamer plaatst vraagtekens bij de handelwijze van de Nederlandse ambassade in Paramaribo als een van een staatsgreep verdachte Surinaamse militair zich daar meldt. Verantwoordelijke bewindsman: D66-minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo. Meeste begrip in de Tweede Kamer: de woordvoerder van D66.

Het parlement behoeft geen macht, het heeft macht. Het moet die macht slechts durven te gebruiken. Ministers moeten volgens Wallage “met knikkende knieën” het parlement binnentreden. Maar zolang de meeste parlementariërs liever kniebuigingen maken voor 'hun' ministers zal dat een illusie blijven.