Tweeluik in tempo van marsmuziek

Ja en Nee, Humanistische Omroep, Ned.1, 22.39-23.33u.

Het valt niet mee actrice te willen zijn. In de onlangs op televisie uitgezonden documentaire Jaargang '94 - aflevering 4, waarin Peter Gielissen studenten aan de Amsterdamse Toneelschool volgt, werd dat nog eens geïllustreerd. De ambitieuze Peggy Sue, die in het eerste deel verklaarde erg beroemd te willen worden en snel een Oscar of op z'n minst een Gouden Kalf te willen winnen, had drie jaar later haar doelen behoorlijk bijgesteld. Een bijrol was ook goed. “Als je maar aan het werk kunt zijn.”

Het valt al helemaal niet mee actrice te willen zijn en dan ook nog in een film te moeten spelen dat je een actrice bent - of in ieder geval zou willen zijn. Dat is echter precies wat Lieve Claes (Sonia), Caroline van Leerdam (Kim) en Stella van Leeuwen (Ellen) overkomt in de twee korte films Ja en Nee van Dick Hauser die vanavond worden uitgezonden.

Dat lijkt de omgekeerde wereld: actrices hoort niets te overkomen in een film - dat is voorbehouden aan de personages die zij spelen. Maar in Ja en Nee is de scheiding tussen werkelijkheid en fictie, tussen documentaire (of documentair-achtige) opnamen en gespeelde sequenties op een aangename manier verwarrend. Hauser (1952) was mede-oprichter van de theatergroepen Hauser Orkater en De Horde, is programmamaker voor de VPRO en tevens werkzaam als scenarioschrijver. Dus ook de grens tussen wat hij heeft bedacht en aan de realiteit van de theaterpraktijk ontleende is niet altijd even duidelijk. Goed getroffen is in ieder geval de onvervalste cameo appearance van regisseur Lodewijk de Boer tijdens een auditie: “Kom nou nog maar een keer binnen en vertel een mop.”

Het scenario van het tweeluik volgt twee narratieve lijnen, gebruikmakend van het principe van de film-in-de-film. Sonia, Kim en Ellen zijn drie jonge, onbekende actrices. Ze tobben met hun vak en met relaties: Kim heeft een verhouding met een experimentele filmmaker die wellicht haar doorbraak zou kunnen bewerkstelligen als hij niet zo'n egotripper was. Ellen krijgt haar eerste televisierol dankzij het feit dat ze tijdens een auditie een regisseur verrot heeft gescholden en Sonia wil eigenlijk liever filmmaakster zijn. Een film maken blijkt minstens zo moeilijk als erin optreden, ontdekt zij - een onbedoelde dubbele bodem van Ja.

De levens van deze dames zijn doorsneden met fragmenten van films, repetities en audities, waarin zij vooral zichzelf lijken te verbeelden. Door het gebruik van interviewsituaties waarin de actrices over zichzelf vertellen, wordt die gedachte nog versterkt.

In Nee zijn de actrices oud, of misschien wel dood, want de titelkaarten aan het einde van Ja sloten heel duidelijk hun levens af. Maar misschien spélen zij alleen maar dat ze oud zijn. De film-in-de-film scènes waarin ze ditmaal optreden doen wel wat denken aan fragmenten uit het toneelstuk Les bonnes van Jean Genet. Hierin spelen twee dienstbodes om beurten dat ze 'de dame' zijn als ze alleen thuis zijn. Wie is wie in dit spiegelpaleis? De oud geschminkte actrices becommentariëren hun levens, filosoferen over het toneelspel en de vergankelijkheid van de roem.

Er kleven twee bezwaren aan Ja en Nee. Ten eerste lijken de films gemonteerd op het tempo van marsmuziek: al-les krijgt e-ven-veel na-druk. Het tweede bezwaar is groter, zeker in een film die over acteren gaat. De actrices die de actrices spelen, spelen hun rollen namelijk met een venijnig verwijt en niet met zichtbare liefde voor het vak. Opeens lijkt de film wel heel erg over die drie verontwaardigde dames zélf te gaan en niet langer over het illusoire karakter van de werkelijkheid.