Tweede Kamer wil aardgasgeld voor openbaar vervoer

DEN HAAG, 29 OKT. De Tweede Kamer wil voorkomen dat openbaar-vervoerprojecten in de grote steden vertraging oplopen. Extra geld daarvoor zou moeten komen uit opbrengsten van het aardgas.

Dit bleek vanmorgen bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en het Infrastructuurfonds. Uit die begrotingen bleek dat er de komende jaren zo weinig geld beschikbaar is voor investeringen in stedelijk openbaar vervoer dat een aantal grote projecten enkele jaren vertraging zal oplopen.

Voorbeelden hiervan zijn de Noord-Zuid-lijn van de Amsterdamse metro en de snelle-tramverbinding met de grote nieuwbouwwijk IJburg. Deze vertraging vormde voor het stadsgewest Amsterdam vorige week aanleiding om te weigeren een convenant met het rijk te ondertekenen over grote nieuwbouwlocaties voor de periode 2005-2010. De vrees van Amsterdam, die wordt gedeeld door de Kamer, is dat er geen openbaar-vervoerverbindingen zijn als de nieuwe wijken worden opgeleverd, zodat de bewoners van meet af aan wennen aan het gebruik van de auto. De ervaring leert dat ze daar later moeilijk uit zijn te krijgen, ook al wordt er alsnog een goede openbaar-vervoerverbinding aangelegd.

Het CDA diende vanmorgen een aantal amendementen in die erop neerkomen dat er 350 miljoen gulden extra beschikbaar moet komen voor openbaar-vervoerinfrastructuur en 50 miljoen gulden extra voor rijkswegen. D66 kondigde aan een motie in te dienen met een verzoek om meer geld voor openbaar-vervoerinfrastructuur. De partij verwacht daarvoor steun van de meerderheid van de Kamer.

De partijen willen hun wensen betalen uit aardgasbaten. Het kabinet had reeds besloten vanaf komend jaar structureel 500 miljoen gulden per jaar uit de opbrengsten van de aardgasverkoop toe te voegen aan het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Het kabinet had echter nog geen besluit genomen over de besteding van dat geld. De Kamer wil nu een deel bestemmen voor openbaar vervoer in de stadsgewesten.

Zowel de regeringsfractie van de PvdA als de oppositiefractie van het CDA hekelde de tariefpolitiek van de Nederlandse Spoorwegen. Vooral de maatregel dat gezinsleden van jaarkaarthouders volgend jaar niet meer met hun kaart in de spits mogen reizen wekte ongenoegen, omdat deze maatregel in strijd is met het mobiliteitsbeleid van de overheid. Zij riepen de minister op hierover te overleggen met de NS.