Soul zonder ziel, blues zonder depressies

Concert: Phil Collins. Gehoord: 28/10 Ahoy' Rotterdam. Herhaling: 29/10 in Ahoy', Rotterdam.

Buiten stonden de auto's van de sponsor te glanzen in een mini-showroom, binnen stonden tienduizend man te proberen even de zorgen over Wall Street en Damrak te vergeten met een avond Phil Collins. Wie zou in de jaren zeventig, toen de rockgroep Genesis furore maakte met lange, complexe nummers voor progressieve popliefhebbers, gedacht hebben dat de drummer zich nog eens zou ontpoppen tot blanke soulzanger die aan de lopende band hits scoort en gaandeweg zo'n zeventig miljoen albums verkoopt?

Er zullen gisteravond onder het publiek waarschijnlijk weinig fans van toen zijn geweest. Collins is de lieveling geworden van de gesettelde veertigers en vijftigers, die graag cd's kopen met lekker vertrouwde muziek, die geen groot beroep op verstand of gevoel doet. De titel van Collins' meest recente cd, Dance Into The Light, slaat dan ook niet op de nieuwste dance-trends die zijn collega en leeftijdgenoot David Bowie onlangs wel ontdekte.

Een andere associatie, het Licht Zien, komt dichter in de buurt. Of Collins religieus is, weet ik niet, maar zijn band speelde popmuziek zoals gospelrockgroepen dat doen: onberispelijk en netjes, zonder venijn, even vlekkeloos als de grijze broek en het witte poloshirt van Collins. Een fletse, verre variant van rock 'n' roll die rockt noch rollt, soul zonder ziel, blues zonder depressies.

Toch is Collins op zijn manier passievol: hij haalt het uiterste uit zijn beperkte stem, en zingt met compassie over daklozen en midlifecrises. Maar of zijn muziek zo belangrijk voor hem is dat hij het ook zou doen als er geen automerk was dat hem sponsorde, als hij in kleine zaaltjes zou moeten ploeteren, dat geloof ik niet: dan zou hij kiezen voor een baan als accountant. Of autoverkoper.

De opstelling - een rond podium in het midden van de zaal - drong nog een andere assocatie op: een ruimteschip. Op de buitenste cirkel kuierden enkele muzikanten rond, zoals een gitarist en een bassist, die zich aan alle delen van het publiek moesten tonen. Het gevolg was dat de muzikanten onderling nauwelijks contact hadden, en wezenloos voor zich uit kijkend hun partijen speelden, alsof ze al waren gehypnotiseerd door aliens. Bij de snelle lichtflitsen die enkele harde roffels op drums en percussie begeleidden - Collins zelf sloeg er ook nog even op los - kon je je gemakkelijk voorstellen dat het hele platform in een enorme lichtflits de ruimte mee in zou worden genomen door extra-terrestrials. Het zou een mooie aflevering van de X-Files opleveren, de camera ingezoomd op de verbijsterde gezichten van de toeschouwers terwijl de band, net als in de zinkende Titanic, onverstoorbaar doorspeelde. Het was moeilijk het langer dan een half uur vol te houden. Toen er weer een mierzoete ballad werd ingezet protesteerden alle vezels in mijn lichaam en maakte mijn maag duidelijk er echt geen moment langer tegen te kunnen.

Bovendien drong zich een schuldgevoel op over mijn negatieve aura dat het gezellige avondje uit van de mensen om mij heen begon te verpesten. Daarom ook maar niet de voor de hand liggende vraag gesteld aan de man die zo enthousiast 'ja!' riep in de stilte na de uitbundige drumroffels: waarom hij, als hij die ruige momenten zo tof vond, niet eens ging kijken bij Atari Teenage Riot, Clawfinger of Headrillaz, die met harde drums wel raad weten?