Mooi weer

AMSTERDAM KOMT op voor zijn minima. De gemeente heeft dit zelfs vastgelegd in een eigen regeling met 'werkvoorschriften'. Mensen met een bijstandsuitkering én schulden mogen volgens dit beleid niet van gas en licht worden afgesloten, laat staan uit huis worden gezet. Tot zover is alles helder.

Want wat heeft het voor zin om mensen, die toch al aan de onderkant zitten, letterlijk de straat op te drijven. Een kale kip kan je immers niet plukken. En bovendien, Amsterdam heeft al genoeg daklozen. Als daar nog eens de 12.000 bijstandstrekkers met financiële problemen en de 26.000 met betalingsachterstanden bij komen - en om deze aantallen gaat het in de hoofdstad, waar inmiddels al bijna één op de tien inwoners van de bijstand leeft - dan heeft de stad een groot probleem. Zesendertigduizend nieuwe zwervers (dat wil zeggen: ongeveer vijf procent van de bevolking), die slapen in de stations of op de stoep van Beursplein 5 en in hun onderhoud voorzien door bij de ingang van Food Plaza de daklozenkrant te verkopen aan de overige 95 procent die wel een huis heeft, dat zou wat al te zeer gaan lijken op Calcutta aan de Amstel.

ALS BELEID ziet het er allemaal verstandig uit. Verantwoordelijk wethouder Jaap van der Aa, tevens lijsttrekker voor de PvdA, zou er bij de komende gemeenteraadsverkiezingen dan ook goed mee voor de dag zijn kunnen komen. Ware het niet dat de verhoudingen in de praktijk toch een beetje anders zijn.

Onlangs weigerde de sociale dienst in Amsterdam een moeder met drie kinderen een bijzondere bijstandsuitkering, waarmee ze haar huurschuld zou hebben kunnen betalen. De verhuurder van haar huis wilde niet met zijn hand over zijn hart strijken en begon een uitzettingsprocedure. De bijstandsmoeder op haar beurt nam een advocaat in de arm en ging naar de administratieve rechter met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, zodat ze in haar huis kon blijven wonen. De rechter wees die eis twee weken geleden toe. De gemeente Amsterdam had immers zelf vastgelegd dat bijstandstrekkers niet van hun primaire levensbehoeften zouden mogen worden beroofd. Dat sommige bijstandsontvangers er zelf een potje van maken, deed volgens de rechter niet ter zake. Dat de postorderbedrijven daarvan profiteren en de gemeentekas daarvan de dupe wordt, was evenmin relevant. Regels zijn regels en moeten dus worden nageleefd.

Deze ene bijstandsmoeder, die volgens de sociale dienst een financiële brokkenpiloot is, heeft dankzij de kwaliteit van de rechtshulp in Nederland alle mooie woorden van Amsterdam op hun kop weten te zetten. Als de maximaal 36.000 lotgenoten van haar nu ook aan de bel gaan trekken, kan Amsterdam de artikel-12-status bij het rijk aanvragen. Of het zover komt, is de vraag. Weliswaar heeft de rechter een voor de gemeente omineuze voorziening getroffen, het bezwaarschrift zelf is nog niet afgehandeld. In de langdurige bodemprocedure kunnen de principiële aspecten van de zaak werkelijk tegen het licht worden gehouden.

OP VOORHAND zijn er al wel een paar bestuurlijke conclusies te trekken. Ten eerste dat de gemeente Amsterdam met haar algemene voorschriften voor de sociale dienst mooi weer heeft gespeeld en daarvoor nu wordt gestraft. Ten tweede dat de individualisering van de samenleving het onmogelijk maakt nog algemene voorschriften uit te vaardigen die recht doen aan zowel de individuele privacy als het verlangen naar sociale rechtvaardigheid: de ene bijstandsgerechtigde is nu eenmaal de andere niet. Maar de overheid mag dat onderscheid, anders dan de oude paternalistische charitas, niet maken. Voor haar zijn alle burgers gelijk.

Het dilemma lijkt onontkoombaar. Willen grote steden als Amsterdam hun bijstandsuitgaven onder controle houden, dan zullen ze een keuze moeten durven maken. Losbladige en dus losbandige werkvoorschriften functioneren niet meer. De sociale dienst kan zich niet meer achter zijn papieren verschuilen, maar moet zijn passanten bij de balie veel eerder waarschuwen voor de financiële gevolgen van hun lakse huishouding. Dat is, zo vlak voor de verkiezingen, waarschijnlijk wat te veel gevraagd. Maar een keer zal de wal het schip keren.