Het pianolamuseum is een levend muziekarchief

Het pianolamuseum in Amsterdam heeft maar één vaste kracht.

Pianolamuseum, Westerstraat 106, Amsterdam Iedere zondag open. Dagelijks rondleidingen op afspraak. tel. (020) 627 96 24Conservator Kasper Janse van het Pianolamuseum (Foto J⊘rgen Krielen)

AMSTERDAM, 29 OKT. 'Wegens ruimtegebrek pianola te koop', staat er op een bordje. Het pianolamuseum in Amsterdam groeit uit zijn jas, maar geld voor een grotere expositieruimte is er niet. De laatste subsidieaanvraag werd door de Amsterdamse kunstraad van een negatief advies voorzien, dat door de gemeenteraad is overgenomen. Het bezwaarschrift waarin conservator Janse de noodlijdende situatie nogmaals uiteenzette, is vorige week afgestemd.

Janse opent de klep van een Welte-voorzetapparaat uit 1910, een soort 'aanhangpianola' die als eerste nuances in dynamiek en pedaalgebruik kon weergeven. Een papieren rol wordt ingelegd, en even later klinkt de Trauermarsch uit de vijfde symfonie van Mahler, door de componist in 1905 zelf ingespeeld. Janse wijst op de honderden rollen achter zich. “Het is een levend muziekarchief”, fluistert hij, alsof hij Mahler zelf niet uit zijn concentratie wil halen. “Vertel mij maar eens waar je in Nederland zo dicht bij de bron kan komen.”

De Kunstraad is echter van mening dat de collectie van Janse van 'onvoldoende cultureel belang' is. Als zogeheten 'facetmuseum' bestrijkt het een te klein deelgebied, en 'vervult het geen lacune in het Amsterdamse museumaanbod'. Bovendien meent de raad dat het museum amateuristisch opgezet is.

In het voormalige politiebureau aan de Westerstraat liggen de oude arrestantencellen vol met papieren rollen, en de soms tachtig jaar oude, pianola's en reproductiepiano's lijken de ruimte uit te kruien om zo een grotere behuizing af te dwingen. Als het aan conservator Janse ligt, blijft het bij de verkoop van die ene pianola, maar waarschijnlijker is het dat de collectie zeldzame instrumenten de komende jaren flink zal worden uitgedund.

Janse voelt zich niet serieus genomen en noemt de argumenten van de Kunstraad 'onzinnig'. “Natuurlijk is het een facetmuseum. Het is een unieke collectie, die vraagt om een specialistische aanpak. Maar de mensen die erover beslissen nemen de moeite niet om zich er in te verdiepen.”

Kasper Janse begon 25 jaar geleden te verzamelen. “Maar het is meer dan een uit de hand gelopen liefhebberij. Er is al zo veel verloren gegaan. Als ik het niet doe, wie ontfermt zich dan over de pianola? Je moet je realiseren dat de pianola tot de jaren dertig de meest hoogwaardige geluidsdrager was. Na de uitvinding van de elektrische grammofoon en de radio was het afgelopen. De meeste instrumenten werden gesloopt en opgestookt. Wat er nog van over is, is vaak verwaarloosd omdat men de expertise niet meer had om ze goed te kunnen restaureren”.

Die deskundigheid bezit Janse inmiddels wel, al komt er van restaureren de laatste tijd niet veel terecht. “Naast giften van donateurs zijn groepsrondleidingen de enige bron van inkomsten. We huren dit pand van de gemeente. De huur is zo hoog, dat ik de meeste tijd bezig moet zijn met het geven van rondleidingen. Dat gaat ten koste van het onderhoud, het uitbreiden van de collectie en van de activiteiten die we willen organiseren.”

Illustratief voor de desinteresse van de gemeente Amsterdam noemt Janse een bezoek aan zijn museum van wethouder Ernst Bakker van cultuur. “Ik heb hem een rondleiding gegeven. Hij heeft al die tijd geen stom woord gezegd. Achteraf vergeleek hij het met een verzameling weckflessen en bierviltjes.” Voorlichter Bert Janmaat van de Amsterdamse kunstraad begrijpt best dat Janse het oneens is met het advies. “Maar de gemeente kan niet de zorg op zich nemen voor al dit soort kleine initiatieven. We krijgen jaarlijks 120 aanvragen. Het budget van de gemeente is niet toereikend om die allemaal te honoreren. Een deskundige commissie van museumdirecteuren maakt een belangenafweging. Een museum met zo'n klein bereik, dat zich richt op een zo specifiek onderwerp krijgt dan geen prioriteit. Ook niet als dat betekent dat zo'n initiatief dan niet langer in stand kan worden gehouden.”

Ook een tegemoetkoming in de huurkosten (30.000 gulden per jaar) is uitgesloten. Janmaat: “Dat zou gratuit zijn. Je zegt eerst dat je zo'n museum niet belangrijk genoeg vindt, en vervolgens zeg je 'laat de huur maar zitten'. De gemeente hanteert reële huurprijzen en verstrekt geen verkapte subsidies.”

De toekomst van het museum blijft daarom onzeker. Janse is, volgens eigen zeggen, zo ongeveer de enige in Nederland die genoeg kennis heeft om de pianola voor uitsterven te behoeden. Is een onzichtbare, mechanische Gustav Mahler belangrijk? Is het bewaren van antieke grammofoonplaten belangrijk? Smelten we over tien jaar alle cd's weer om omdat er een nog betere geluidsdrager is uitgevonden? Kasper Janse begrijpt het niet. “Deze collectie heeft zoveel potentie, hoort thuis in Amsterdam. Dit is geen museum voor een regenachtige dag, het is een muziekhistorisch tijdsdocument. Maar de gemeente lijkt zich voor de pianola te schamen.”