Het bord van de Genderkliniek is al weg

Op gezag van minister Borst (Volksgezondheid) zal de omstreden Genderkliniek in Utrecht de deuren moeten sluiten. De kliniek heeft de afgelopen jaren zeventig echtparen behandeld. Daaruit kwamen veertien zwangerschappen voort.

UTRECHT, 29 OKT. De naamplaat bij de ingang van de kliniek is verdwenen. “Souvenirjagers”, denkt directeur B. van Delen. Het bord kan nog geld waard worden, want de Utrechtse Genderkliniek voor geslachtskeuze moet haar activiteiten staken. Binnen enkele weken zal minister Borst (Volksgezondheid) een algemene maatregel van bestuur uitvaardigen waarin de sluiting wordt opgedragen, zo bevestigt een van haar woordvoerders.

Bij de opening van de kliniek, twee jaar geleden, keerde de minister zich al tegen geslachtskeuze op niet-medische gronden, maar toen ontbrak nog het wettelijk instrument om dit ook te kunnen verbieden. Vorige week heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Bijzondere Medische Verrichtingen, die een verbod mogelijk maakt. Eerder dit jaar besloot het kabinet al het internationale verdrag inzake mensenrechten en biogeneeskunde te ratificeren. In dat verdrag wordt geslachtskeuze afgewezen.

Over toeloop heeft de kliniek niet te klagen, zegt directeur Van Delen (39). In twee jaar tijd zijn zeventig echtparen behandeld met als resultaat veertien zwangerschappen. Inmiddels zijn zeven jongens en vijf meisjes geboren. Eén echtpaar kreeg een meisje in plaats van een jongen, maar de andere kinderen waren allemaal volgens 'planning', aldus Van Delen. Per behandeling moeten de ouders 1645 gulden betalen.

De score van de Utrechtse kliniek is hoog. Meer dan negentig procent van de baby's is van het gewenste geslacht. Maar wegens de geringe aantallen kunnen daaraan nog geen conclusies verbonden worden. Zelf pretendeert de kliniek dat ouders die een jongen willen, een kans van tachtig procent hebben en bij een meisje zeventig procent. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een methode van spermaselectie die twintig jaar geleden is ontwikkeld door de Amerikaan R. Ericsson. De methode-Ericsson is wetenschappelijk omstreden. Nog nooit zijn in een onafhankelijk onderzoek vergelijkbare resultaten geboekt.

In feite is de kans op succes veel geringer. Eerst is het zaak om zwanger te worden. De geselecteerde zaadcellen worden via kunstmatige inseminatie ingebracht, maar die methode lukt in niet meer dan tien procent van de gevallen. Kandidaten hebben dus een kans van minder dan tien procent om na een behandeling een kind van een bepaald geslacht te krijgen.

“Bij vijf procent is er het gewenste effect. Dat is correct. Dat kan iedereen narekenen”, erkent Van Delen. De kandidaten krijgen dat niet te horen. “Niet op deze manier. Er wordt wel gezegd dat de kans gering is.”

Twee jaar geleden dwong de inspecteur voor de volksgezondheid de Utrechtse kliniek al om in het voorlichtingsmateriaal een minder rooskleurig beeld te schetsen. Ook de huidige folder (“Eindelijk heeft u nu de kans om het geslacht van uw baby zèlf te bepalen') is “op de rand”, zei minister Borst in april in de Tweede Kamer.

Onafhankelijk toezicht op de resultaten van de kliniek is er niet. Van Delen bevestigt dat hij als enige op de hoogte is van de cijfers. Hij is onbezoldigd directeur en tevens bestuurslid van de stichting.

Tot 1 september was M. Mommers uit Maastricht naast Van Delen gedurende een jaar het enige andere bestuurslid, maar haar inzet had niet veel om het lijf. “Ik bestuurslid? Daar weet ik niets van”, reageert Mommers. “Mijn man regelt dat allemaal.” Echtgenoot J. Pisters, oud-bestuurslid en nu adviseur van de kliniek, weigert commentaar.

De bestuurlijke constructie is voor het ministerie van Volksgezondheid onacceptabel en Van Delen is vorige maand te verstaan gegeven dat er een ander stichtingsbestuur moet komen. “Dat is toch je reinste kolder?”, zegt de directeur. “Het is zoiets als van de kapitein van een zinkende veerboot eisen dat hij mensen aan boord laat.” Niettemin heeft Van Delen inmiddels een medewerker bereid gevonden tot het bestuur toe te treden.

De contacten met de medische wereld waren niet succesvol, erkent de directeur, die zelf geen medische opleiding heeft genoten. Wel was er contact met de hoogleraar genetica J. Geraedts in Maastricht. Deze zou onderzoek doen naar de deugdelijkheid van de Ericsson-methode die bij de Genderkliniek wordt toegepast. Voor Geraedts was de medewerking van de Utrechtse kliniek een buitenkans. “Ik heb 24 jaar geleden de eerste resultaten van het onderzoek van Ericsson bewerkt en we konden daar toen geen bevestiging van krijgen. Ericsson heeft daarna nooit willen meewerken aan een onderzoek naar zijn methode.”

Het onderzoek van Geraedts leverde niets op. De cliënten van de Genderkliniek bleken niet te willen meewerken, ook niet nadat de formulering van de uitnodiging nog eens was aangepast. In mei gaf Geraedts het op. Zelf heeft hij geen inzage in de reacties van de cliënten gehad. “Ik vind het gek dat in een jaar tijd niet één persoon is gevonden die geen bezwaar heeft tegen medewerking. Die mensen hebben er zelf ook een belang bij om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken.”

Directeur Van Delen is niet verbaasd. “De mensen willen niet dat hun privé-gegevens worden gebruikt. Er zijn er die na de behandeling vragen: 'Gooi ons alstublieft uit de administratie'. Tja, als je een sexboekje koopt, wil je ook niet dat je in de administratie wordt bewaard.”

Succes bleef ook uit bij de contacten met het Utrechtse Diakonessenziekenhuis. Gynaecoloog P. Scholten ontving de afgelopen jaren enkele echtparen die door de Genderkliniek waren doorverwezen voor een hormoonbehandeling. De echtparen kregen bij hem nul op het rekest. “In principe weiger ik niemand, maar zo'n behandeling kunnen de artsen bij de kliniek ook doen. En bovendien is een hormoonbehandeling helemaal niet nodig. Die echtparen wisten van toeten noch blazen.” Scholten heeft geen contact met de artsen van de kliniek. “Het is me nooit helemaal duidelijk wie er werken en wanneer.”

Het is inderdaad een komen en gaan bij de medewerkers, bevestigt directeur Van Delen. “Het is hier een doorgangshuis geweest van mensen die afgestudeerd waren, hier meedraaiden en elders een baan hebben gevonden. Maar ze zijn niet vertrokken, omdat ze het hier niet leuk vonden.”

Sinds mei van dit jaar is A. Cooman, vorig jaar afgestudeerd, op freelance-basis als arts aan de Genderkliniek verbonden. Daarnaast is zij onder meer screeningsarts bij U-Gene Research en bedrijfsarts bij de RABO-bank. Niet iedereen vertrekt met plezier bij de kliniek, weet Cooman. “Mijn voorganger is op staande voet ontslagen, omdat er verkeerde recepten werden uitgeschreven en dergelijke.”

Cooman was niet op de hoogte van het ontslag van haar voorganger, de arts P. Roos. Zelf verklaart ze haar werk voor de kliniek uit haar belangstelling voor de IVF-methode. De kandidaten worden eerlijk voorgelicht, zegt Cooman. Zij vertelt de mensen echter niet dat ze als gevolg van de kunstmatige inseminatie in feite een kans van zes à zeven procent op succes hebben. “Maar”, verzekert ze, “bij de intake-gesprekken wordt niets opgedrongen. Ik zeg wel tegen de mensen dat het goed is om een grens te stellen.”

Er zijn zeven jongens en vijf meisjes geboren. Eén meisje had een jongen moeten zijn.