Gemaskeerde citaten in Wagemans' Muziek IV

Concert: Schönberg Ensemble o.l.v. Micha Hamel. Gehoord: 28/10 Paradiso Amsterdam.

Herhaling: 2/11 De Doelen, Rotterdam.

Peter-Jan Wagemans verklaarde eens dat hij zich voelt als een Rabelais in het land van Descartes. De zestiende-eeuwse priester-schrijver François Rabelais schreef bont en baldadig, beeldend rijk. Rabelaisiaans wil zo veel zeggen als uitbundig en overdadig. De filosoof René Descartes was een eeuw later een van de eerste vertegenwoordigers van het wetenschappelijk rationalisme, diplomatiek en gewiekst.

Wagemans, kortom, vindt een rationele benadering van de avant-garde te beperkt. Maar Descartes huldigde de leuze larvatus prodeo (gemaskerd ga ik voort) en dat is weer typerend voor Wagemans' stijl, die vrijpostig postmodernistisch is, waarbij hij zich een meester van de transfiguratie toont. Wie herkent in Muziek IV dat hij Wagners Tristan und Isolde citeert? Daarvoor swingt het te veel. Als Wagemans citeert, zet hij het citaat een masker op.

In Muziek IV (1987-'88), geschreven voor het Schönberg Ensemble, passeert van alles de revue binnen een bonte zevendelige danssuite. Boeiend zijn de 'paradedeeltjes', waarvan er één kan bestaan uit dertien korte mozaïeken, samengesteld uit losse objecten die filmisch scherp gemonteerd zijn. De sfeer is feestelijk opruiend, Rabelaisiaans baldadig. Maar van de toccata gaat dreiging uit, een onbeweeglijk liggend akkoord heeft een onheilspellende werking.

Opgezet in diverse bewegingsslagen met de vlugste noten in de twee piano's knipte de componist uit het totaalbeeld later gaten om de onderliggende structuur beter te laten uitkomen. Het tempospel in het op één na laatste deel is visueel te volgen wanneer er twee dirigenten voor benodigd zijn. Die mozaïeken vind ik het spannendst, direct van toon én uitgekiend Descartiaans!

De Belg Philippe Boesmans heeft veel met Wagemans gemeen, diezelfde directheid van uitdrukking en een zo mogelijk nóg theatralere vormgeving. Ook Boesmans betrekt van alles in zijn uitbundige composities. Als composer in residence bij de Brusselse Muntschouwburg bracht hij daar de extatische opera's La Passion de Gilles en Reigen.

Verwant aan Kagel is het uitgangspunt van zijn compositie Upon La-Mi (1970) voor mezzo-sopraan, hoorn, elf instrumenten en elektrische versterking. Het was zijn eerste compositie voor een zangstem, opgedragen aan een variété-zangeres, vandaar de Kageliaanse clichés uit de wereld van het amusement. De zangeres moet croonen, fluisteren, praten met haar musici, met name de hoornist, en natuurlijk richt zij zich ook tot het publiek.

Al even Kageliaans is dat de tekst afkomstig is uit de befaamde Grove's Dictionary of Music and Musicians, het gedeelte gewijd aan de hoorn. Bijna overbodig te vermelden dat op de band het hoornthema klinkt uit Wagners Siegfried. De titel verwijst naar een anoniem werkje uit de zeventiende eeuw, gebaseerd op de kwint la-mi. Acht maal schrijft Boesmans een lege kwint als contrasterend rustpunt binnen die dynamische compositie. Die rustpunten bevielen mij het best en geleidelijk aan laat Boesmans het absurdisme voor wat het is. Het had wat mij betreft zelfs geheel achterwege kunnen blijven.

Ten slotte klonk er nog een stuk Marcel Minderhoud onder de titel Gravity Waves. Het is meer een ideeënstuk dan een compositie. Een grote golfbeweging werd hoorbaar, het recitativische betoog uit het begin maakte uiteindelijk plaats voor een ritmisch strakke sfeertekening.