Een school is geen product

Het dagblad Trouw publiceerde zaterdag een toptien van Nederlandse scholen. Ton van Haperen legt uit waarom dit van een totaal verkeerde visie op onderwijs getuigt. De gebruikte cijfers zijn oppervlakkig en gaan voorbij aan de oorzaken die er aan ten grondslag liggen. Staatssecretaris Netelenbos is in het mes gelopen dat zij zelf scherp geslepen heeft.

Voetbal International is een weekblad vol nieuws over de turbulente wereld van het populairste spel in de Westerse samenleving. Het bezit een hoog Privé-gehalte en één aardige rubriek: de beoordeling van spelers door middel van een cijfer. Voor het begin van het seizoen worden oud-voetballers benaderd met het verzoek de vorderingen van een topclub te volgen. De spits die regelmatig de bal van de voet laat springen, kan zo een vier krijgen, en als hij in de laatste minuut in een alles-of-niets-poging vanuit de draai de bal schitterend in de rechter bovenhoek prikt, wordt dit snel verdubbeld. Daar is de speler content mee, maar als de vier was blijven staan, had hij het blad waarschijnlijk achteloos in de prullenbak gegooid. Zoveel zeggen de cijfers niet over de prestaties van de ploeg. Dat doen immers de uitslagen. De cijfers richten ook geen schade aan. Het is entertainment.

Wat Voetbal International kan, kunnen wij ook, moeten de onderwijsredacteuren van het dagblad Trouw hebben gedacht. Zij opperden het idee een cijferrubriekje voor scholen te ontwikkelen. De onderwijskundige prof. dr. J. Dronkers werd bereid gevonden zijn naam aan dit idee te verbinden en het artikel was geboren. Een probleem was nog dat de staatssecretaris elke medewerking weigerde. Maar Trouw eiste de gegevens die voor het artikel nodig waren, via een kort geding, op. Met succes.

Dat is jammer, want de publicatie van Dronkers heeft vervelende gevolgen. De zwakke scholen uit de test worden nog zwakker. Bovendien zijn de getallen oppervlakkig en gaan ze voorbij aan de oorzaken die eraan ten grondslag liggen. Zowel de slechte als de goede cijfers suggereren dat scholen de volstrekte controle zouden hebben over zaken als doorstroming, doublures en dus kwaliteit. Dat zou betekenen dat het VWO in Roermond, dat er in het artikel goed uitkwam, goede leraren heeft, terwijl het personeel van het VBO in Harderwijk uit prutsers bestaat. Dat is de enige conclusie die de kranten lezende ouder kan trekken. Maar niets is minder waar.

In Roermond zullen de aanmeldingen nu waarschijnlijk al gigantisch zijn. De noodlokalen zijn al in bestelling. En tegelijk kunnen in Harderwijk inmiddels de ontslagaanvragen ingevuld worden. Deze ellende had staatssecretaris Netelenbos nu juist willen voorkomen! Maar haar beschermende hand boven de kwetsbare scholen is door de rechter weggeslagen met als argument de 'openbaarheid van gegevens'.

Mevrouw Netelenbos heeft de nederlaag zelf over zich afgeroepen. Zij is in het mes gelopen dat zij zelf scherp geslepen heeft. Door het systeem van 'budgettering' stoot de overheid op dit moment diverse centrale taken af. Het ministerie suggereert nu dat scholen bedrijven zijn die een 'product' verkopen en met elkaar concurreren. Wie het het best doet, krijgt de meeste middelen. Hoe meer leerlingen, des te meer geld.

Ouders kiezen in deze redenering uit het totale aanbod de school die goed is voor hun kind. Cijfers zouden dan zinnige informatie kunnen bevatten. Dat vindt de staatssecretaris kennelijk ook, want ze is inmiddels snel van mening veranderd en belooft nu voortaan zelf de rapportcijfers voor de scholen te gaan verzorgen.

Met deze repressief tolerante houding gaat ze echter voorbij aan de oorzaak van de onrust die is ontstaan. Onderwijs is geen product en laat zich niet vergelijken met voetbal, gloeilampen of kroketten. Concurreren om de gunst van de leerling is oneigenlijk. Wapperen met de schijnexacte cijfers van Dronkers, open dagen, vier kleurenfolders, het is allemaal even leugenachtig.

Alle kinderen in Nederland gaan minimaal tot hun zestiende jaar naar school en zullen dus door een instelling van de straat gehouden moeten worden. Maar dat is niet genoeg, het zou fijn zijn als zij tegelijk worden uitgerust met kennis en vaardigheden waarmee zij een plaats in de samenleving kan verwerven die bij de persoon en kwaliteiten past.

Dit is een ingewikkeld probleem, kinderen in een betaalbaar tempo naar hun maatschappelijke bestemming leiden. De klanten werken namelijk niet allemaal even goed mee. Veel pubers hebben moeite met het instituut school. Zij denken in korte-termijndoelstellingen en hard leren voor later hoort daar niet altijd bij. Ze krijgen enorm veel informatie over uiterlijkheden en lifestyles, maar hebben geen idee wat er voor nodig is om al dat moois te verwerven. Reeds op jonge leeftijd komen zij in aanraking met volwassen zaken als betaalde arbeid, alcohol, drugs, seksualiteit en criminaliteit. Bovendien wordt niet iedereen in zijn of haar ontwikkeling gesteund door het ouderlijk milieu. In het ene gezin worden de vaardigheden die van een moderne leerling worden geëist, nu eenmaal gepassioneerder onderschreven dan in het andere.

De wijze waarop deze factoren in de leerlingenpopulatie dominant aanwezig zijn bepaalt het rendement van een onderwijsinstelling. De kwaliteit van leraren of management heeft daar erg weinig mee te maken. Bovendien zit elke school met een erfenis van het verleden: een grote groep leraren met een vaste aanstelling.

Er is in Nederland geen enkele publieke onderwijsinstelling die het zich kan permitteren bewust docenten te selecteren die bij de clientèle passen. Dat is geen onwil, er zijn gewoon geen vacatures, ontslaan van zittend personeel is moeilijk en bovendien zijn betere krachten niet voorradig.

Cijfers zeggen dan ook niks over de capaciteiten van het personeel, maar alles over de leerlingen die de scholen bevolken.

Mochten de getallen wel iets voorstellen en de kwaliteit van het geboden onderwijs van sommige scholen moet omhoog, dan is er uiteindelijk maar één uitweg. Het ministerie gaat zich weer meer met de toedeling van middelen bemoeien.

In het huidige systeem wordt het VBO in Harderwijk gestraft omdat het een moeilijke groep heeft. Wat rest deze school? Hoe zinderend de open dagen voor de nieuwe aanmeldingsronde ook zullen zijn, het leerlingenaantal zal teruglopen. Vooral jonge leraren krijgen hun ontslag, de klassen worden groter en de resultaten dalen verder.

Het ministerie zou in volle wijsheid beter het tegenovergestelde kunnen doen. De klassen verkleinen, docenten aan het werk houden en de school versterken. Lastige leerlingen nemen nogal eens een verkeerde afslag in hun leertraject. Zij zetten zichzelf hierdoor buitenspel. Aandacht is dan het enige dat helpt. Met extra begeleiding kunnen zij misschien een diploma halen en zo aansluiting vinden bij een baan of vervolgopleiding.

Waar het om gaat is dat de huidige, decentraliserende overheid dit soort beslissingen nooit kan nemen. Ze kijkt het geheel van een afstand meewarig aan en laat de boel de boel. Als positieve beïnvloeding van het maatschappelijk lot van de zwakkeren een doelstelling van onderwijs is, dan zou het prettig zijn als er meer centrale verantwoordelijkheid genomen wordt. Het huidige systeem laat de scholen met kinderen aan de onderkant in de kou staan en de cijfers van Dronkers maken de wind alleen maar frisser.

De maatschappelijke kosten van deze strategie zullen over een aantal jaren vele malen groter blijken te zijn dan de snelle winst van de marktwerking.