De kok en het domme blondje

De wereld is arcadisch in de kookprogramma's op televisie, maar het is het bekrompen paradijs van het grote geld. Alles is lekker, alles is gemakkelijk, alles is enig en het is ook nog vreselijk gezellig. Additieven, smaakversterkers, kistkalveren en genetische manipulatie komen in het kookwoordenboek van de culinaire sponsors niet voor.

De consumenten zouden er maar van schrikken of, nog erger, hun gastronomisch onderscheidingsvermogen ontwikkelen. Nu hoeft de keerzijde van de bio-industrie niet dagelijks breed te worden uitgemeten, maar enige kritische distantie kan geen kwaad. Zelf vond ik het heel verhelderend ooit te horen dat voor tomatensoep uit een pakje geen enkele tomaat is geofferd en dat voor het maken van een bouillonblokje 'aanmerkelijk minder dierenleed is geschied dan de aanduiding met extra vleeskracht suggereert'.

Op een steeds grovere manier oefenen de sponsors hun invloed uit op de inhoud van de programma's. Een paar jaar geleden nog ging het subtieler. Al dacht je af en toe: laat die staafmixer nu maar eens even staan. Ook de intensieve aandacht voor deze of gene buitenlandse keuken kon alleen maar worden verklaard door de welwillende medewerking van het buitenlands verkeersbureau.

Nu ondermijnen schaamteloze reclame, kritiekloosheid en het ontbreken van de overdracht van echte warenkennis de geloofwaardigheid van de programma's én van de presenterende koks. Zo maakte vorig seizoen in Tip Culinair TV een van Nederlands betere koks op koninklijke wijze scones. Hij gebruikte de beste ingrediënten, hij kneedde het deeg, hij liet het rijzen. Kortom, hij was er uren mee bezig om ze daarna zonder blikken of blozen onder aanprijzing van de 'volle' smaak te besmeren met Bona Halfvol. De koks, het zijn niet de geringsten, die zich voor dit soort programma's lenen verdienen kritiek. Alles waar ze in hun restaurants voor zeggen te staan - werken met verse en eerlijke producten, ambachtelijkheid, liefde voor de gastronomie - wordt in hun kookprogramma's zonder pardon overboord gezet. Kok in oorlogstijd, denk je bij het horen van hun rechtvaardiging 'ik kan er maar beter bij zijn om de ontwikkelingen in de voedselindustrie ten goede te sturen.'

Ten koste van alles moet worden vermeden dat de kijker denkt dat koken moeilijk is, veel tijd in beslag neemt of ongezellig is. En om de gezelligheid nog wat te verhogen wordt de bekende Nederlander ingezet. Behalve dat de bekende Nederlander in culinair opzicht doorgaans weinig heeft in te brengen, leidt het in beeld brengen van de bekende Nederlander erg af. Liever zie ik de handelingen en processen op het werkvlak en in de pannen dan het babbelende hoofd van de bekende Nederlander. 'Er zit de klad in sterren' werd een week of twee geleden duidelijk in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant. Mooi, de sterren kunnen de wereld uit, te beginnen uit de keuken.

Het grote geld, de bekende Nederlander en het domme blondje teisteren de kookprogramma's op televisie; en van die drie het domme blondje het meest. Het lijkt zo simpel, een goed kookprogramma maken. Je vraagt een vakkundige kok met enig didactisch talent en het vermogen zijn kennis en liefde voor het koken uit te dragen, een paar goede recepten en klaar ben je. Maar als je bijvoorbeeld een binnensmonds mompelende kok met een gemoedelijke Brabantse tongval inschakelt, dan moet als tolk het domme blondje opdraven. Het domme blondje is niet altijd blond en meestal ook niet echt dom, ze doet maar alsof. Ze vertelt wat je als kijker gewoon kunt zien en ze vraagt wat ze zelf al weet. Zo ontstaan er voorgekookte conversaties met dialogen als 'met een paar blaadjes basilicum', 'basilicum?', 'ja, basilicum, een paar blaadjes'. Ik vrees dat het de bedoeling is dat we ons als kijkers identificeren met het domme blondje, ingezet om de afstand tussen de kookkunst en het publiek te verkleinen. Maar zó dom zijn we niet.