Treurige belastingboodschap

Aanvankelijk zou het kabinet nog voor de zomer een verkenning publiceren van mogelijkheden om ons belastingstelsel in de 21ste eeuw fundamenteel te hervormen. De bladeren vallen al en nog steeds heeft de paarse ploeg zijn belofte niet ingelost. De inhoud van de nota ligt inmiddels grotendeels op straat. Het kabinet wil het tarief van de inkomstenbelasting flink verlagen. Ook de premiepercentages van de volksverzekeringen, zoals de AOW, moeten omlaag.

Met zo'n tariefverlaging zijn al snel enkele tientallen miljarden guldens gemoeid. Het gat dat hierdoor in de schatkist valt kan op vier manieren worden gestopt. Allereerst kan een volgend kabinet het mes diep in de overheidsuitgaven en de sociale uitkeringen zetten. Zo blijft geld over voor belasingverlaging. Groeit de economie, dan brengen de belastingen vanzelf meer op. Een deel van die extra opbrengst kan worden bestemd voor lastenverlichting. Over bezuinigingen en de bestemming van de automatische groei van de belastingopbrengst zullen politieke partijen afspraken moeten maken bij de eerstkomende kabinetsformatie. De zittende ministers kunnen bezwaarlijk over hun graf heen regeren en zullen dus naar andere oplossingen moeten zoeken.

Eén mogelijkheid kwam al ter sprake bij de eerste aankondiging van de plannen voor de belastingnota. De komende jaren kan de samenstelling van de belasting-'mix' veranderen. De tarieven van de inkomstenbelasting gaan omlaag, terwijl die van andere belastingen juist worden verhoogd. Hierdoor komt de schatkist per saldo niet tekort. Evenmin daalt echter de totale belastingdruk. Verhoging van de BTW, de omzetbelasting die zit verstopt in de winkelprijzen, gooit hoge ogen. Daarnaast kunnen de tarieven van milieuheffingen worden opgeschroefd of nieuwe groentaksen worden ingevoerd.

Tegen dit soort maatregelen worden vaak twee bezwaren aangevoerd. De BTW en milieuheffngen drukken in verhouding het zwaarste op lagere inkomensgroepen. Dit soort belastingen houdt minder rekening met draagkrachtverschillen dan de progressieve inkomstenbelasting. Verder kan Nederland de BTW en heffingen op energie niet naar believen opvoeren, omdat dan steeds meer consumenten hun aankopen aan de andere kant van de grens gaan doen.

Om deze reden kan Nederland de benzineaccijns nu al niet verder verhogen. Torenhoge energieheffingen zouden ook de internationale concurrentiepositie van energieverslindende bedrijven (petrochemie, transportsector) ernstig ondermijnen. Zo blijft in feite slechts één optie over, te weten het breder maken van de heffingsgrondslag, dat is het inkomen waarover belasting moet worden betaald. Bij het bestaande tarief brengt de inkomstenbelasting dan meer op. Die meeropbrengst gaat retour naar de belastingbetalers, via een lager tarief. Ook nu is geen sprake van verlaging van de totale belastingdruk: lagere percentages verschuldigd over hogere inkomensbedragen brengen evenveel op als eerst.

Grondslagverbreding is mogelijk door het schrappen van bestaande aftrekposten en vrijstellingen, of door nu nog onbelaste vormen van inkomen in de heffing te betrekken. Gegeven de met een substantiële tariefverlaging gemoeide miljarden heeft het weinig zin allerlei kwantitatief minder belangrijke posten ter discussie te stellen. In feite zijn er slechts drie posten die zoden aan de dijk zetten: de belastingvrije sommen, de onbelaste pensioenopbouw en de faciliteit voor de eigen woning.

Mensen hoeven pas belasting te betalen wanneer hun inkomen meer bedraagt dan achtduizend gulden. Door die vrije som te schrappen, wordt de grondslag honderd miljard gulden breder. Deze maatregel is per saldo nadelig voor de lager betaalden. Zij betalen voortaan immers vanaf de eerste gulden belasting, zij het tegen een lager tarief. Mensen met hogere inkomens hebben in verhouding het meeste voordeel van deze ingreep. De laatstgenoemde groep zou juist veruit het zwaarste worden getroffen door het sparen voor de oude dag aan te pakken. Betaalde pensioenpremies (ruim veertig miljard gulden per jaar) zijn op dit moment aftrekbaar, de beleggingresultaten van de pensioenfondsen (bijna zeventig miljard per jaar) blijven onbelast. De pensioenuitkeringen (nu dertig miljard per jaar) zijn belast.

Door de fiscale regels om te keren - premies niet langer aftrekbaar, inkomsten van pensioenfondsen belasten, pensioenuitkeringen vrijlaten - neemt de heffingsgrondslag met bijna tachtig miljard toe. Het kabinet zal dit om verschillende redenen niet aandurven. Het wil met het oog op de vergrijzing bevorderen dat de burgers sparen voor later. Bovendien smelt deze grondslagverbreding in de volgende eeuw voor een stuk weer weg. Door de ontgroening van de bevolking neemt de betekenis van de betaalde premies af, terwijl de vergrijsde bevolking steeds meer belastingvrij pensioen zou genieten. Ten slotte zou Nederland zich internationaal gezien in een uitzonderingspositie plaatsen, omdat verreweg de meeste landen bij pensioenen kiezen voor het systeem van belastinguitstel totdat de uitkering gaat lopen.

Internationaal is Nederland wel een buitenbeentje door de ongelimiteerde aftrek van hypotheekrente (een aftrekpost van 25 miljard per jaar). Minister van Financiën Zalm heeft deze post echter onaantastbaar verklaard, om de gunst van zijn VVD-aanhang niet te verspelen.

Belastingherziening blijkt niet eenvoudig te zijn, doordat een aanvaardbare lastenverdeling, de internationale concurrentiepositie en massaal verzet van kiezers de armslag van het kabinet beperken. Dit zou kunnen verklaren waarom het zo lang duurt voordat het kabinet zijn fiscale ei heeft gelegd. Te verwachten valt dat dit ei voor veel burgers die hartstochtelijk verlangen naar eenvoudige belastingen met een stuk lagere tarieven uiteindelijk grotendeels een lege dop blijkt te zijn. Dat is een treurig stemmende belastingboodschap voor de volgende eeuw.