Rwanda is ziek van angst, haat en geweld

In Rwanda vreet de haat, veroorzaakt door de genocide van 1994, door. Angst voor straffeloze moordenaars, of juist voor wraak, is wijdverbreid. De kloof tussen rijke Tutsi-remigranten en ontheemde Hutu-boeren is groot. Van 'samenleven' is nauwelijks meer sprake.

KIGALI, 28 OKT. Béatrice Mukansinga is bitter gestemd. “Ik durf niet terug naar mijn dorp, ik kan de moed niet opbrengen om de moordenaars van mijn familie in de ogen te kijken.” Zo blijft voor de overlevenden de genocide van 1994 een alledaagse realiteit. Drie jaar na de grootste volkerenmoord van de eeuw in Afrika wordt Rwanda geplaagd door wraakgevoelens. Verzoening tussen Hutu's en Tutsi's is nog niet begonnen, de tegenkrachten blijken sterk. “Het kwaad zit heel diep in de samenleving”, aldus een diplomaat, “de schade die is aangericht in 1994 is onderschat”.

Nabestaanden, voor het grootste deel Tutsi's, zijn bang. “Nog steeds worden we vermoord, ook door terugkerende Hutu-vluchtelingen”, vervolgt Béatrice. Haar echtgenoot en drie kinderen kwamen, samen met 800.000 anderen, om in 1994. “Als de schuldigen zijn opgepakt, nemen vervolgens hun familieleden wraak op ons. Zij kennen ons en wij kennen hen.” Sommige overlevenden zien geen uitweg meer. “Soms willen we niet meer leven. Maar als je in ons hart zou kunnen kijken, zou je bovenal woede tegenkomen.”

Diep wantrouwen heerst aan beide zijden van de scheidslijn. Kolonel Théoneste Hategekimana was een van de weinige Hutu's in het door Tutsi's gedomineerde regeringsleger. Hij diende onder Hutu-president Juvénal Habyarimana in de toenmalige Rwandese Strijdkrachten (FAR) en werd in 1995 opgenomen in het nieuwe nationale leger. Vorige week klaagde hij over achterstelling. Twee keer pleegden onbekenden een aanslag op zijn leven, één keer door vergiftiging, één keer door een overval op zijn auto waarbij hij door de hand werd geschoten. “In het leger heeft een splitsing plaats, de leiding wil ons Hutu's wegjagen”, zei hij. “Het gaat fout in Rwanda. De bevolking wordt in gescheiden kampen gedreven en er heerst wraaklust alom.”

Hategekimana werd vrijdagavond samen met zijn lijfwacht vermoord toen hij van zijn kantoor naar huis reed. Onbekenden hadden op de hoofdweg van Kigali naar Gitarama een wegversperring opgeworpen. Hij werd ter plaatse geëxecuteerd: van korte afstand joegen de belagers drie kogels door zijn hoofd. Eerder vorige week hadden rond Gitarama twee aanvallen plaats op bestuurders, waarbij 15 doden vielen. Hutu-radicalen waren vermoedelijk verantwoordelijk. Na de aanslag op Hategekimana werden in het weekeinde zeven regeringsmilitairen opgepakt: vier soldaten van lage rang en drie officieren, onder wie Hategekimana's plaatsvervanger in Gitarama.

Rwandezen lijken gewend geraakt aan het geweld. Voordurend worden er op het platteland en in de steden moorden gepleegd. Deze zijn niet noodzakelijkerwijs politiek geïnspireerd. Een ruzie om een vrouw wordt met een granaat beslecht. Bij gebrek aan een efficiënt gerechtelijk apparaat blijven vele van deze misdaden onbestraft, de spiraal van geweld gaat door. “Mensen huilen nauwelijks meer bij het overlijden van een familielid of vriend”, stelt een waarnemer vast, “de dood is voor iedereen een dagelijkse realiteit geworden.”

'Burundisering' noemen sombere analisten de cyclus van haat en geweld. Evenals in buurland Burundi gaan Hutu's en Tutsi's steeds meer apart leven. Iedere groep koestert, door de traumatische ervaringen van eerdere slachtpartijen, vooroordelen jegens de andere en ziet die dagelijks door de scheiding herbevestigd.

De klasse van Tutsi-boertjes werd in 1994 goeddeels geëlimineerd. De Tutsi's op het platteland vormen nu vrijwel overal een heel kleine, en kwetsbare, minderheid. Weduwen en wezen krijgen onderdak in speciaal gebouwde nederzettingen, vlak bij wegen om hen te kunnen beschermen. Remigranten uit de Tutsi-diaspora, die ontstond na de moordpartijen van 1959, zijn vaak beter opgeleid en trekken goeddeels naar de steden, gaan in de handel of werken voor de regering. De hoofdstad Kigali heeft sinds 1994 een geheel nieuwe bevolking.

De Hutu's raken gemarginaliseerd in de politiek en het zakenleven, hoewel zij ruim tachtig procent van de bevolking uitmaken. Veel meer dan vroeger wonen ze nu vrijwel uitsluitend buiten de steden. De Hutu-middenklasse is onthoofd. Duizenden Hutu-intellectuelen werden in 1994 vermoord. Tienduizenden Hutu-boeren waren moordenaars. Vorig jaar uit Zaïre en Tanzania teruggekeerde Hutu-vluchtelingen moeten van de regering één maand in heropvoedingskampen, met hun kinderen. Zij voelen zich behandeld als verdachten en dat wakkert weer haatgevoelens aan. In het collectieve bewustzijn van Hutu's en Tutsi's ging de Rwandese samenleving uit twee groepen bestaan: de overlevenden en de moordenaars.

Paul Kagame ontkent de tweedeling in de samenleving niet. Hij is vice-president, minister van Defensie en de sterke man van het regime in Kigali. De goed opgeleide ex-guerrillaleider spreekt echter tegen dat dit een gevolg is van regeringspolitiek. “Als mensen in de stad of op het platteland willen wonen, is dat hun vrije keuze”, argumenteert hij. “Daar is niets verkeerd aan. We vertellen niemand waar te wonen en hebben niemand uit zijn woning gejaagd. Er bestaat geen vooropgezet plan om mensen te scheiden.” Ambtenaren van het oude regime onder de teruggekeerde vluchtelingen klagen dat ze geen baan kunnen krijgen. Kagame gebruikt ter verklaring hetzelfde argument: “Er heerst onder alle groepen in Rwanda grote werkloosheid. De overlevenden van de genocide zitten zonder werk.”

De gevangenissen en cachots (plaatselijke huizen van bewaring) in Rwanda puilen uit en de autoriteiten zijn lange procedures gaan volgen alvorens ze nieuwe verdachten opsluiten, tot ergernis van de nabestaanden. “We treden correct op tegen de teruggekeerde vluchtelingen”, aldus een presidentieel adviseur. Westerse diplomaten bevestigen dat er geen van hogerhand gesanctioneerde wraak tegen hen plaatsheeft. Desondanks nam het aantal gedetineerden na de terugkeer met enkele tienduizenden toe tot 120.000. Naar schatting twintig procent zou geen schuld dragen aan de genocide.

In de regering zitten meer Hutu's dan Tutsi's. De werkelijke macht ligt echter bij het door Tutsi's gedomineerde leger, dat voortkwam uit Kagame's Rwandese Patriottische Front. “Alleen de militairen krijgen dingen voor elkaar in dit land”, zegt een diplomaat. “Binnen het regime vechten de voormalige Tutsi-ballingen om invloed. Ze groeperen zich naar voormalig balingsoord: 'Oegandezen', 'Zaïrezen, 'Tanzanianen' of 'Burundezen'. Radicalen onder hen pleiten voor een harde aanpak van Hutu's, ze achten dit politiek legitiem wegens de genocide. Aan Hutu-zijde blijven velen de genocide ontkennen, ze noemen de moordpartijen 'een gewone oorlog'.”

De geweldskanker vreet zich zo steeds dieper in de Rwandese samenleving. De xenofobie onder Hutu's en Tutsi's neemt grotere vormen aan, pogingen van menig hulpverlener en beleidsmaker ten spijt. In de duizenden heuvels van Rwanda bevindt zich één van de meest gewelddadige samenlevingen van Afrika. In het noordwesten dagen Hutu-extremisten met een golf van terreur opnieuw het regeringsleger uit.

Rwanda heeft een slechte naam, dat geeft Kagame ruiterlijk toe. “Ik wist van het begin af aan hoe ziek dit land is. Het zal veel inspanningen en tijd kosten om de situatie onder controle te brengen.” Sommige soldaten van zijn leger begaan in het noordwesten oorlogsmisdaden. Een veroordeling van zijn strijdkrachten wijst Kagame echter van de hand: “De internationale gemeenschap moet niet doen alsof we een normaal land zijn”.