Roven in rangorde

Niet alle roofkunst die na de oorlog door de gedupeerde eigenaren of hun erfgenamen als vermist werd opgegeven is door de Duitsers geroofd. De Duitsers tekenden voor het leeuwendeel, zoals de belangrijkste verzamelingen op het gebied van de schilder-, teken- en beeldhouwkunst, maar ook de geallieerde bevrijdingstroepen konden hun handen niet helemaal thuishouden.

Sommige roofkunst is daardoor twee keer gestolen. Eerst door de Duitsers en daarna door de Amerikaanse en de Canadese troepen, die een deel van de in Duitse depots aangetroffen oorlogsbuit op hun beurt mee naar huis sleepten. In de meeste gevallen heette dat met een militair eufemisme 'organiseren', wat veelal, maar niet altijd, betrekking had op kunsthistorisch kleingoed dat geen museum in zijn collectie zou willen hebben. Dit 'organiseren' werd door de geallieerde legerleiding lange tijd gedoogd, dan wel door de vingers gezien. Het werd pas berecht en bestraft als het te gek was geworden.

Het stelen van waardevolle kunst was in het geallieerde kamp ten strengste verboden en het werd met zware straffen bedreigd. Dat verhinderde niet dat het ook daar plaatsvond. De geallieerde roofridders beroofden weliswaar de oorspronkelijke rovers, maar het aldus herstelde onrecht leidde niet altijd tot teruggave aan de oorspronkelijke eigenaren. Van de Russen was dat van het begin af bekend, van de andere geallieerden niet. Die deden het ook op kleinere schaal, op een nettere manier en minder opvallend. Plunderen op z'n Amerikaans en op z'n Canadees. De Engelsen vormden de uitzondering op die regel. Engelse kunstroof is destijds nergens gemeld en ook in latere jaren niet aan het licht gekomen.

Naar aanleiding van een eerder stuk dat ik op deze plaats over kunstroof in de Tweede Wereldoorlog schreef, ontving ik een belangwekkende brief van een oud-militair met een verhandeling over de 'gapregels' die in het Amerikaanse bevrijdingsleger golden. Volgens de briefschrijver, een Amerikaanse Nederlander die de bevrijding van Europa meemaakte als luitenant van het Amerikaanse leger, werd het gappen formeel beheerst door het rangenstelsel. Er werd gestolen volgens hiërarchieke regels. Hoe hoger de rang, hoe meer men mocht 'meenemen'. Eerst was dat nog aan alle troepen toegestaan (hoog en laag), na enkele maanden alleen nog aan officieren en tenslotte nog slechts aan opperofficieren (generaals).

Mijn bron (die ik heb moeten beloven zijn naam niet te noemen, omdat hij niet gehinderd wil worden door voorpubliciteit voordat hij zijn memoires heeft voltooid) beschrijft de geschiedenis van het terugroven als volgt:

“Ik heb van begin mei 1945 tot januari 1946 (toen ik weer teruggestuurd werd naar de VS) dagelijks meegemaakt wat zo al door de Amerikaanse soldaten als 'oorlogsbuit' werd meegenomen. In de eerste weken na de capitulatie van Duitsland was de chaos daar natuurlijk enorm en waren nog geen regels gesteld wie wat mocht gappen en naar huis (lees: de Verenigde Staten) mocht sturen. De eerste weken mocht je de Duitse marken nog tegen een gewone koers bij de Amerikaanse postkantoren inwisselen en als dollars naar huis sturen... Bij deze postkantoren stonden in de voorjaars- en zomermaanden van '45 honderden meterslange rijen met Amerikaanse soldaten en officieren die alles wat los en vast zat naar huis stuurden. Meubilair, jachtgeweren, tapijten, schilderijen, enz.”

Abel Herzberg heeft eens geschreven: “Er is geen volk, dat in de oorlog geen rechtsregels overtreden heeft, en geen enkel leger, dat zich niet aan excessen te buiten is gegaan”. Dat is een passend ironisch commentaar op het zwart en wit in onze geschiedkennis. We weten bijna alles van de wandaden van de vijand, maar nog steeds niet veel van de schendingen van het oorlogsrecht door de geallieerden. Daardoor hebben we de kunstroof in de oorlog altijd exclusief met de Duitse legers geassocieerd.

Dat de recuperatietroepen van generaal Eisenhower het ook deden spreekt haast vanzelf. Die trokken kort na de D-Day-invasie van Europa met onstuimig elan achter de voorste linies van de bevrijdingslegers Duitsland binnen om daar de Duitse oorlogsbuit uit de vroegere bezette gebieden op te sporen en aan hun rechtmatige eigenaren terug te bezorgen. Die kunstexperts in uniform (voluit: Art Looting Investigation Unit of the US Office of Strategic Services) zochten begrijpelijkerwijs alleen naar Duitsers en Duitse schuilplaatsen. In hun idealistische geestdrift stonden ze er niet bij stil, dat de 'bad guys' zich niet alleen in het andere kamp bevonden en de 'good guys' niet alleen in het eigen kamp. Maar op dat moment voeren al scheepsladingen met Duitse oorlogsbuit richting New York. Het was maar een deel van die buit, maar waarschijnlijk was dat net groot genoeg om het onderzoek naar de vermiste kunst uit de Tweede Wereldoorlog nog eens naar Amerikaanse musea te verplaatsen.

De brief van mijn zegsman eindigt met een pregnante persoonlijke anekdote: “Ikzelf heb met mijn buddie een nazi kunnen arresteren die twee kisten met Contax camera's (toen net zoveel waard als een Leica, circa $ 500 per stuk) in zijn bezit had. Ik heb uit de opbrengst van die camera's een deel van mijn studie aan de Cornell Universiteit (1946-1949) kunnen bekostigen, met de voldoening dat - ofschoon mijn moeder, vader en broertje in Auschwitz waren vermoord - ik toch het mijne had bijgedragen om de nazi's te vernietigen.”