Overzicht van Edgar Degas' kunstcollectie; De helden van een bezeten verzamelaar

The Private Collection of Edgar Degas. Metropolitan Museum of Art, Fifth Avenue bij 82nd Street. T/m 11 jan 1998. Inl 00-12128795500. Catalogus, deel I $ 60, deel II $ 45. Paperback $ 45 en $ 35. Samen $ 95 hardcover, $ 75 paperback.

Beter dan te luisteren naar wat een kunstenaar over zijn werk te zeggen heeft, is het te kijken waar hij naar kijkt: naar wat hij van andere kunstenaars om zich heen verzamelt en naar wat hij voor zichzelf in zijn atelier houdt. Dit geldt in hoge mate voor de Franse kunstenaar Edgar Degas (1834-1916), getuige de bijzonder intrigerende tentoonstelling The Private Collection of Edgar Degas in het Metropolitan Museum of Art in New York.

Degas was een bezeten verzamelaar die al zijn geld aan kunst uitgaf - vrienden klaagden soms over het slechte eten dat zij in huize Degas voorgeschoteld kregen. Zijn collectie kwam grotendeels tot stand tussen 1890 en 1904, nadat zijn familie de schulden had afbetaald die zijn vader, een bankier, had nagelaten, en nadat hij met zijn eigen werk financieel succesvol was geworden.

Vóór die tijd was Degas, in zijn verlangen naar zelfscholing, een gedreven kopiist van oude meesters en van zijn directe voorgangers. Hij schafte dan ook vooral werken aan van kunstenaars van wie hij in de privé-omgeving van zijn huis en atelier, aan de voet van Montmartre, invloed wenste te ondergaan.

Pas na de dood van Degas bleek de omvang van zijn obsessie: circa 8.000 kunstwerken kwamen tevoorschijn. Ruim een derde hiervan was van eigen hand. De jonge kunstenaar Ernest Rouart, getrouwd met een nichtje van Edouard Manet, hield zich namelijk niet aan zijn belofte aan Degas bij diens dood het grootste gedeelte van zijn werk op papier te vernietigen.

Degas koesterde vooral series van 19de-eeuwse kunstenaars als Jean-Auguste-Dominique Ingres, Eugène Delacroix, Manet, Corot, Cézanne, Van Gogh en Gauguin. Ook de prentkunst, die zich in die tijd ontwikkelde tot een zelfstandige kunstvorm, genoot zijn bijzondere belangstelling. Degas bezat bijna alle prenten van Daumier en Paul Gavarni, bijna de gehele grafiekproductie van Manet, experimentele (mono)prenten van Camille Pissarro, Mary Cassat, Gauguin en Whistler en hij was een van de eerste verzamelaars van Japanse prenten, populair geworden na de Wereldtentoonstelling in Parijs. De acht veilingen van deze Japanse paviljoen-collectie in 1918 en 1919 veroorzaakten veel opwinding in de kunstwereld, te vergelijken met de 'hausse' die die zich in onze jaren tachtig voordeed.

Wat het Metropolitan Museum nu laat zien, is een kleine, maar evenwichtige weerspiegeling van de oorspronkelijke verzameling: zo'n 250 schilderijen, pastels, aquarellen, tekeningen en prenten. Hoewel Degas meestal bij de impressionisten wordt ingedeeld, en een van de organisatoren was van de Impressionistische Salons, verzamelde hij praktisch geen werk van zijn impressionistische collega's.

Hij had in wezen weinig met hen gemeen. Zoals nu blijkt, stond hij vooral stevig geplant in de academische tradities van de neo-classicist Ingres, de romanticus Delacroix en de realist Daumier, die hij de 'Drie Grote Tekenaars' noemde. Daarvandaan groeide hij rechtstreeks in de richting van de post-impressionisten.

Net als zijn levenslange vriend en concurrent Edouard Manet (1832-1883) streefde Degas ernaar de tradities van de oude meesters te verenigen met een realistische weergave van het moderne leven. Dit kostte hem enorme moeite. Hij maakte talloze voorschetsen en verbeteringen, ook voor de latere pastels. Deze kwamen bepaald niet 'spontaan' tot stand, terwijl juist 'spontaniteit' een kwaliteit was die de impressionisten nastreefden.

Wat onderwerp betreft ligt de nadruk op portretten en (studies van) de menselijke figuur, vooral naakten. Er zijn weinig landschappen en stillevens. Opvallende uitzonderingen zijn een zeer impressionistisch aquarelletje van een wolk door Delacroix en twee wonderlijke stillevens van Van Gogh: een van de twee zonnebloemen, die als borsten vooruitgestoken naast elkaar op het doek liggen, en een waarvan de componenten verspreid zijn over het schilderij; appels, druiven, een peer, slechts bijeengebracht door een kring van losse, bewegende penseelstreken.

Degas vereerde Ingres als een god. Van een korte ontmoeting als jonge man, toen Ingres hem aanspoorde vooral respect te hebben voor de lijn, tot 1911, toen hij zich, oud en blind als de hoofdfiguur in Ingres' Apotheosis of Homer (1827), naar een overzicht van diens werk liet brengen om nog eens de schilderijen aan te kunnen raken die hij niet meer kon zien.

Hij bezat twintig doeken en 88 tekeningen van Ingres, en de werken waarop hij niet de hand kon leggen liet hij fotograferen. Hier is onder meer een groot aantal van Ingres' voorschetsen voor de Apotheosis of Homer te zien. Schitterend is een olieportretje van Homerus' voeten, van boven afgesneden door een strook wit kleed, aan de onderkant begrensd door de streep van een voetsteun, gevangen in een gouden lijstje.

Delacroix was Degas' tweede held, ook al lijkt diens opoffering van de gedisciplineerde lijn en vorm aan lossere verfstreek en kleur in tegenspraak met zijn liefde voor Ingres. Vooral kleur was belangrijk voor Degas, hij kocht zelfs enkele van Delacroix' gebruikte papieren paletten, om diens combinaties beter te kunnen bestuderen.

Delacroix' warme, complementaire Venetiaanse kleuren, met veel oranjes, roden en gelen en het oranje-achtige binnenlicht, zijn een leidraad door de hele tentoonstelling. De vitale lijn, die diens naakten zoveel natuurlijker maken dan die van Ingres, keert terug in Degas' eigen pastels bijvoorbeeld, in werk van Cézanne, in de grafiek van Pissarro en in de onkarakteristieke expressionistische, zwarte en lichtoranje verfvegen in Manets portret van Berthe Morisot, die in rouw is gedompeld na de dood van haar vader.

Maar boven het bed van de levenslange vrijgezel Degas hing geen Delacroix of realistische Daumier. Hij keek dan toch liever naar The Bathhouse (1787) van Torii Kiyonago, een kleurenhoutsnede met half in kimono gehulde en naakte, zich nonchalant afdrogende vrouwen, in verschillende gestileerd-gewrongen hurkhoudingen.

Het spoor leidt ten slotte naar Degas' eigen werk. Grafiek en andere werken op papier geven het meest complete overzicht van zijn carrière, want hij verkocht hier weinig van.

De schilderijen vormen een minder volledig geheel, maar ook hier is de verrassende ontwikkeling van Degas goed te volgen: van kopieën met klassieke thema's en traditionele portretten, via de luchtiger, Delacroix-achtige, vrijere kleuren en verfstreek naar bijna fauvistische doeken.

Tijdens zijn leven speelde Degas met het idee deze collecties na zijn dood in een 'Musée Degas' onder te brengen. De nu gepresenteerde 'miniatuur'-versie in het Metropolitan Museum komt dicht bij wat hem ooit voor ogen moet hebben gestaan.