Macedonië: zorgen om Albanezen

Met overleg achter gesloten deuren van alle politieke partijen moeten in Macedonië hoog opgelopen spanningen worden bezworen. Bron van de spanningen is de Albanese minderheid.

ROTTERDAM, 28 OKT. Macedonië heeft, sinds het in 1991 onafhankelijk werd, weinig anders dan rampspoed gekend: een bitter conflict met zuiderbuur Griekenland liep uit op een jarenlange economische boycot; de sancties tegen noorderbuur Joegoslavië maakten het isolement totaal, leidden tot het verlies van de enige afzetmarkt en tot de verbreking van verbindingen; de andere buren, Bulgarije en Albanië, zijn arm en ze zijn nog ingestort ook, dit jaar.

Die problemen hebben de Macedoniërs verarmd, maar niet de das omgedaan, en ze zijn ook maar tijdelijk, want de ruzie met de Grieken is nog niet bijgelegd, maar de boycot is voorbij, en er zijn nog sancties tegen Joegoslavië, maar de grenzen zijn open en er wordt gehandeld. En zo ploeteren de Macedoniërs verder, ver weg in het hart van de Balkan: een door de wereld min of meer vergeten landje dat er niet erg toe doet. Of beter: een landje dat er niet erg toe doet zolang het rustig blijft. En de vraag is of dat lukt.

Eén probleem is al die jaren constant gebleven: het probleem van de Albanese minderheid, die klaagt over discriminatie en onderdrukking.

Die klachten zijn al heel oud. De Albanezen lagen dwars bij de volkstellingen, waardoor we nog steeds niet weten of ze eenvijfde van de bevolking uitmaken, zoals de officiële statistiek zegt, of eenderde, zoals ze zelf zeggen. Ze lagen dwars bij de opstelling van de grondwet, ze eisen een eigen universiteit en stichtten er op eigen houtje een toen ze haar niet kregen, ze eisen dat het Albanees een officiële taal wordt, ze eisen in hun woongebieden in het westen en zuiden eigen structuren, zelfbestuur, autonomie. En die krijgen ze niet, want, zeggen de Macedoniërs, dat is een voorspel op afscheiding, dat is separatisme. Inmiddels leven de Albanezen in hun eigen wereld: ze hebben hun eigen samenleving, en de raakvlakken met die van de Macedoniërs zijn beperkt.

Begin dit jaar kwam het tot kwade betogingen en tegenbetogingen toen de regering de Albanezen een belangrijke concessie deed en instemde met Albaneestalig onderwijs aan de pedagogische faculteit van de universiteit van Skopje. Macedonische extremisten reageerden met hongerstakingen en een onderwijsboycot. Toen die opwinding begon weg te ebben, kwam de volgende rel: de vlaggenkwestie - de gewoonte van de Macedonische Albanezen om de Albanese vlag uit te hangen vanaf officiële gebouwen in 'hun' steden.

Die gewoonte leidde in de late lente tot spanningen in de steden Gostivar, Bitola en Tetovo. In mei bepaalde het Constitutionele Hof dat de nationale vlag van andere landen mag worden uitgehangen op particuliere huizen en bedrijven en bij culturele en sportmanifestaties, maar niet op officiële gebouwen - behalve op officiële feestdagen, en dan nog mag zo'n buitenlandse vlag alleen naast de Macedonische vlag wapperen.

De Albanezen wezen de uitspraak af. De burgemeester van Tetovo klaagde, want “de Albanezen zijn geen bezoekers” en zijn “niet alleen binnenskamers Albanees”. Zijn collega van Gostivar vond dat de uitspraak “het recht op het gebruik van ons nationale symbool privatiseert”.

In een aantal gemeenten met een Albanese meerderheid bleef de Albanese vlag wapperen, tot woede van de Macedoniërs. In juli kwam het in Gostivar tot een uitbarsting toen de politie de Albanese en de Turkse vlag van het stadhuis haalde. Er vielen drie doden. Burgemeester Rufi Osmani werd gearresteerd. In september werd Osmani tot dertien jaar en acht maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens het oproepen tot rassenhaat. De burgemeester van Tetovo kreeg twee weken geleden tweeëneenhalf jaar gevangenisstraf wegens het hijsen van de Albanese vlag op het stadhuis.

Dat het conflict in Skopje hoger wordt opgenomen dan vorige conflicten ligt aan twee externe omstandigheden. De eerste is de anarchie waarin het buurland Albanië begin dit jaar terechtkwam. Daarbij vielen één miljoen wapens in handen van de bevolking. Veel van die wapens kwamen en komen in Macedonië terecht - in handen van de Albanezen. In september werd in Skopje gezegd dat er genoeg wapens zijn gesmokkeld om een infanteriebrigade van drieduizend man volledig te bewapenen. In de regio's rond Gostivar, Tetovo en Rastelica gaan vuurwapens van de hand voor 50 tot 500 D-mark per stuk.

De tweede omstandigheid is de radicalisering van een deel van de Albanese meerderheid in het naburige Kosovo. Daar pleegt een 'Kosovar Bevrijdingsleger' (UÇK) aanslagen op doelen van de Servische onderdrukker en Albanese 'collaborateurs'. Het UÇK heeft aanhang in Macedonië. Begin september zei de Macedonische minister van Binnenlandse Zaken, Tomislav Cokrevski, dat “de situatie in het noorden en westen de territoriale integriteit van het land bedreigt”, wegens de vorming van “parallelle structuren” door de Macedonische Albanezen, met steun uit Albanië en Kosovo. Tien dagen geleden repte Cokrevski van “illegale organisaties” van Macedonische Albanezen. “We hebben heel concrete aanwijzingen dat het Kosovar Bevrijdingsleger afdelingen in Macedonië heeft. Maar ze [die vertakkingen] zijn nog niet voltooid.”

President Kiro Gligorov probeert met informele besprekingen van alle politieke partijen de vrede te bewaren tussen de Albanese en de Macedonische nationalisten. Het is niet waarschijnlijk dat er méér dan een tijdelijk 'bestand' uit de bus komt. Daarvoor is de etnische kloof te diep. Juist deze maand heeft het Macedonische parlement voor het eerst een lid uitgestoten: Arben Xhaferi, leider van een van de drie partijen van de Macedonische Albanezen, raakte zijn mandaat kwijt omdat hij het parlement al twee jaar boycot: hij eist het recht in het parlement Albanees te spreken.