Knopkruid

Het meest verbazingwekkende onkruid waarmee je op de klei te maken krijgt is Kaal Knopkruid (Galinsóga parviflora) of het zusje daarvan: Harig Knopkruid (Galinsóga quadriradiáta). Zonder enige twijfel groeien beide knopkruiden ook op zand en andere grondsoorten, maar ik stel me zo voor dat je het daar gemakkelijk kunt uitrukken.

Je schudt het zand grondig van de wortels en dan zal er voor de plant toch niet veel anders opzitten dan te verdorren. Ruk je Knopkruid echter uit op de klei, dan houden de wortels, zeker als het vochtig is, heel wat klei vast. Werp je het knopkruid nu tussen de door jou schoon gewiede groentebedden, dan zie je dat het de volgende dag alweer half overeind is gekomen en de dag daarop staat Knopkruid weer fier rechtop, en bloeit het alsof je het nooit hebt verwijderd. Ook als je het op de composthoop gooit, weet het zich weer op te richten, en groeit het daar door alsof het nooit verplaatst was.

Als je aardappels gerooid hebt, en de grond vervolgens even braak ligt, zie je al na een paar dagen een flonkering van smaragd op de klei. Het is dan alsof er groene sneeuw is gevallen. In een mum van tijd groeien die kleine, liefelijke, groene blaadjes die zo aanvallig je grond bedekken uit tot stevige plantjes. Je kunt het opschieten ervan haast met het blote oog aanschouwen. In een ommezien bloeien die plantjes en blijk je een luisterrijke monocultuur te bezitten van Kaal of Harig Knopkruid.

Knopkruid komt niet alleen overal op waar een stukje grond braak ligt, maar nestelt zich ook tussen al je gewassen. Het scheurt de grond uit, komt in een ommezien in bloei, en de foeilelijke dwergbloemetjes vormen razendsnel zaad. 'Onder gunstige omstandigheden', lees ik in de onvolprezen Oecologische flora van Weeda c.s., 'kan een plant binnen twee maanden nakomelingen hebben voortgebracht.' Ik vraag me, gezien mijn ervaringen met de beide knopkruiden, al enige tijd af of er wel twee maanden voor staat. Het verspreidt zich zo duizelingwekkend snel!

De beide knopkruiden kwamen - wat een gouden tijd moet dat zijn geweest! - oorspronkelijk niet in Nederland voor. Het is een plant uit Latijns-Amerika. Vanuit Peru, vertelt de Oecologische flora, kwam het in de botanische tuinen van Madrid en Parijs terecht. Via Duitse plantkundigen die zaad meenamen, raakte het verzeild in kwekerijen van onze Oosterburen. Het verwilderde aldaar, rukte op naar het Westen, en in 1863 werd het te Harderwijk ontdekt. Als gevolg daarvan zit ik nu dus met de brokken. En ik niet alleen. Het was een hele troost om in een artikel van 20 augustus jl. in deze krant de volgende uitspraak van slaviste Eva den Hartog te lezen: 'Ik zit uren op mijn knieën onkruid te wieden; rij voor rij. 's Avonds val ik in slaap met het knopkruid nog tussen mijn vingers.' Lieve Eva, ik hoop overigens wel dat je het knopkruid rigoreus verwijdert, anders heeft wieden weinig zin! Tussen je vingers blijft het in ieder geval gewoon doorgroeien, daar kun je op rekenen.

Bij mij gaat, vergezeld van de vreselijkste scheldwoorden, al het uitgerukte knopkruid in een compostvat. Deksel erop, zodat er geen licht bij kan. Zelfs dan is het na een dag of drie nog springlevend. Pas na een week begint het zachtjes af te sterven. Meestal gooi ik er voor de zekerheid nog maar een laag paardenmest overheen.

Toch is er, hoe hardnekkig, onuitroeibaar en onbestrijdbaar het knopkruid ook blijkt te zijn, één grote troost. Het is extreem overgevoelig voor vorst. Bij het eerste vleugje nachtvorst in het najaar blijkt die hele duizelingwekkende populatie knopkruiden die je voormalige aardappelakkers tot in de verste hoekjes bezetten van de ene op de andere nacht veranderd in troosteloze plantjes waarvan de anders zo fiere groene blaadjes opeens geknakt zijn. Bovendien zijn die blaadjes dan donkergroen verkleurd en half verschrompeld en een dag later zijn ze al getransformeerd tot groene slijm. Het is verbazingwekkend om te zien dat een plant die bestand is tegen vertreden, schoffelen, uitrukken, en wellicht zelfs verbranden zo hypergevoelig is voor nachtvorst. Terwijl ik dit schrijf kijk ik uit op mijn tuin in de regen. Waar ik ook tuur, ik zie knopkruid. De verbitterde strijd die ik de hele zomer door ertegen gestreden heb, heb ik allang verloren. Maar al dat knopkruid dat daar nog zo vrijpostig woekert en onbekommerd zaad zet, weet niet dat mijn geheime bondgenoot in aantocht is. Eén simpel nachtvorstje en ik ben weer voor vier maanden van dit verbluffende, bewonderenswaardige onkruid af!