'Fransen zien het Vichy-verleden nu onder ogen'

De Amerikaanse historicus Robert Paxton moet de jury in het proces tegen Maurice Papon helpen een beeld te krijgen van de realiteit van het Vichy-regime. “Vichy voerde zelf de status van 'jood' in en legde vrijwillig keurige kaartenbakken aan.”

BORDEAUX, 28 OKT. Robert Paxton is moe na een dag strafrecht op zijn Frans. Er is niets gebeurd in het proces-Papon, de verdachte lijdt aan bronchiale pneumonie, maar iedereen had het er druk mee. Overal klinken geruchten over een voorgewende ziekte, over uitstel, misschien wel afstel van het proces waar zestien jaar aan is gewerkt. De sleutelgetuige uit Amerika, bestormd door de media, bewaart zijn gevoel voor evenwicht.

Hij handhaaft zijn strenge oordeel over de periode-Vichy, toen Frankrijk heulde met de nazi's, maar de mentale zuivering van nu acht Paxton niet minder echt. “Frankrijk is bezig zijn oorlogsverleden onder ogen te zien. Met een veelheid van tegenstrijdige opinies. Ik zou willen dat het wat kalmer en ordelijker gebeurde, met minder herrie buiten de rechtszaal, maar het gebeurt. Er zijn weinig landen die hun eigen burgers voor de strafrechter brengen.”

De historicus als ster in een rechtbankserie. Het is een rol die Robert Paxton hoogstens uit plichtsbesef speelt - hij doorstaat de lawine van tien seconden-vragen op de trappen van het paleis van Justitie in Bordeaux als een timide, oudere broer van Robert Redford. De emeritus-hoogleraar geschiedenis aan Columbia University dreigt zijn collegeverplichtingen van aanstaande vrijdag in New York te moeten verzaken. Maar als het niet anders kan, blijft hij.

Afgemat door de kermis buiten de rechtszaal herneemt de historicus zich op zijn hotelkamer: “Ik accepteer mijn rol in dit proces. Die is vooral pedagogisch, ik moet de juryleden helpen zich een beeld te vormen van de realiteit van toen. De regering van maarschalk Pétain onderhandelde met de Duitsers. De Fransen waren verslagen maar probeerden meer onafhankelijkheid voor hun politie te krijgen. In ruil daarvoor boden ze hulp aan bij het vinden en deporteren van joden. Ik ben natuurlijk geen ooggetuige - getuige is een verkeerde term voor wat ik hier ga doen - maar ik kan proberen te zeggen hoe veel keus de autoriteiten toen hadden, welke informatie beschikbaar was over de werkelijke bestemming van die treinen, dat soort dingen. Daar kan iedere partij in het proces zijn voordeel mee doen, ook Papon.”

De ontwikkeling van Frankrijks erkenning van het eigen verleden wordt goed gesymboliseerd door Paxtons veranderende ontvangst. Van aanvankelijke ontkenning, via zware kritiek naar de status van getuige op verzoek van het openbaar ministerie, de Franse staat dus. De Republiek roept de historicus nu te hulp.

Zijn eerste boek over de periode (Parades and Politics at Vichy, 1966) kreeg geen enkele aandacht. “Nog steeds kent niemand het hier.” Het ging over de bijzondere rol van het leger dat Vichy na de nederlaag en de vrede met Hitler-Duitsland op de been mocht houden. Paxton vertelt dat hij erin onder andere beschreef hoe veel hoge militairen die in Noord-Afrika waren op het moment van de collaps, stevig vóór het Vichy van maarschalk Pétain waren, maar zich in Noord-Afrika bevonden, en zo geruisloos aan de kant van De Gaulles vrije Fransen terecht konden komen.

Paxtons tweede boek (Vichy France, in Frankrijk in '73 uitgekomen bij Le Seuil, nadat Gallimard het niet interessant genoeg had gevonden voor een Franse vertaling) kreeg, zoals Paxton zegt, “een enorme respons”. Die was in het begin vooral negatief. Zelfs een serieus wetenschappelijk tijdschrift als de Revue des Sciences Politiques van het befaamde Science Po-instituut kraakte het. “Ten onrechte”, oordeelt de historicus nu met de afstand van de tijd, “Ik denk dat het toen té nieuw voor hen was.” Paxton herinnert zich dat het aan twee jonge historici, die het voor Le Seuil moesten beoordelen, te danken was dat het boek in het Frans verscheen: Jean-Pierre Azéma en Michel Winock, nu mannen met een grote reputatie. De eerste getuigt een dezer dagen ook in Bordeaux.

“Sindsdien heeft het boek een soort furore gemaakt tot en met de volstrekt onkritische omhelzing van nu”, zegt Paxton. “Er zijn intussen veel meer boeken over Vichy, die weer andere vragen stellen. Het kwam uit in de periode '68-'72 toen de mentaliteit in veel opzichten bezig was te veranderen. De studenten-opstand was geweest, en de film Le Chagrin et la Pitié (van Ophuls). Het boek werd een stok waar veel jongeren hun ouders mee gingen slaan, zij verlangden meer uitleg van het verleden dan de gewoonte was geweest. De mannen van de oude consensus over de nuttige rol van Pétain 'om erger te voorkomen' zijn intussen voor het merendeel dood. De feiten kunnen spreken.”

Die zeggen volgens Paxton dat Frankrijk wegens zijn geografie en zijn relatieve leegte een ideaal land was geweest om joden te verbergen. “Als de Fransen niets hadden gedaan, als Pétain had gezegd: wij verenigen het verdeelde vaderland en wachten de oorlog af, dan zouden de Duitsers heel weinig greep op de joden hebben gehad. Maar Vichy had zelf de status van 'jood' ingevoerd en keurige kaartenbakken aangelegd. Frankrijk is een hoge uitzondering geweest doordat het als gedeeltelijk niet-bezet land niet alleen gevluchte, buitenlandse, maar ook inheemse joden vrijwillig heeft gedeporteerd.” In zijn derde boek over de periode (Vichy France and the Jews, 1981, samen met Michael Marrus geschreven op uitnodiging van de Franse uitgever Calmann-Lévy) stelt Paxton dat Pétain in dit opzicht harde landen als Roemenië qua ijver achter zich liet. Hij voegt er nu Slowakije aan toe, waar hij destijds nog niet van wist.

De politici-erfgenamen van De Gaulle, zoals RPR-leider Philippe Séguin, die zich beklagen over het huidige 'proces tegen het gaullisme', zijn volgens Paxton uit op de plaats van president Chirac, die de verkiezingen van dit voorjaar heeft verloren. “Zij gebruiken het proces-Papon en Chiracs erkenning van Frankrijks medeplichtigheid ten tijde van Vichy als voorwendsel om hem te wippen.”