Europees Parlement regelt zichzelf rijk

De financiële regelingen voor Europarlementariërs zijn morgen het onderwerp van een debat in de Tweede Kamer. Hoeveel verdienen leden van het Europees Parlement eigenlijk?

ROTTERDAM, 28 OKT. Waarschijnlijk hebben alleen de inspecteurs van belastingen in de lidstaten van de Europese Unie enig inzicht in het financiële reilen en zeilen van de geachte afgevaardigden van de Europese Unie. En zelfs de inspecteurs moeten vaak in het duister tasten. Zo mogen sommige Nederlandse Europarlementariërs hun bijdrage aan het vrijwillige pensioenfonds van het parlement, waarover de Tweede Kamer morgen debatteert, aftrekken van de belasting, terwijl andere daarvoor juist geen toestemming krijgen van hun belastinginspecteur. Staatssecretaris Vermeend (Financiën) tolereert dat parlementariërs die de post in het verleden aftrokken, daarmee doorgaan.

Die onduidelijkheid geldt niet voor de zogeheten schadeloosstelling (het 'loon') die de parlementariërs ontvangen. In afwachting van een Europees statuut - dat de beloning van alle Europarlementariërs gelijk trekt - ontvangen de gedelegeerden een 'salaris' dat gelijk is aan dat van de parlementariërs in het eigen land. Dat 'loon' - waarover in het land van herkomst belasting moet worden betaald - loopt uiteen van 2.562 ECU per maand (ongeveer 5.636 gulden) voor de Grieken tot 8.693 ECU (ongeveer 19.124 gulden) voor de Italianen. Nederlandse Europarlementariërs krijgen 4.839 ECU (zo'n 10.645 gulden) per maand.

Daar wringt 'em nu juist de schoen. Omdat bijvoorbeeld de Grieken en de Spanjaarden er met hun relatief magere schadeloosstelling bekaaid afkomen, is het Europarlement ruimhartig met het geven van onkostenvergoedingen. Die dienen in feite als aanvulling op het inkomen van de parlementariërs. Het Europarlement bepleit een Europees statuut met een uniforme schadeloosstelling. Die moet dan zo hoog zijn, dat onkostenvergoedingen niet langer als inkomstenbron hoeven te dienen. Maar zo'n statuut kan alleen door de regeringen worden opgesteld. Daarover wordt al jaren onderhandeld, tot nu toe zonder enig resultaat.

Neem de reiskostenvergoeding. Ieder lid krijgt een vergoeding om de officiële vergaderingen van het parlement in bijvoorbeeld Brussel of Straatsburg bij te wonen. Deze bedraagt 0,76 ECU/kilometer (ongeveer 1,67 gulden) voor de eerste 400 kilometer van de heen- of terugreis en 0,38 ECU/kilometer (ongeveer 0,836 gulden) voor elke kilometer daarboven. De afstand tussen de woonplaats in het land van herkomst en de plaats waar de vergadering wordt gehouden, is uitgangspunt. Voor een reis van Amsterdam naar Straatsburg wordt 1.693 gulden uitgekeerd. Een vliegticket economy class kost maximaal 1.047 gulden. Per trein of auto liggen de kosten lager.

Veel onkostenregelingen zijn volgens critici bijzonder fraudegevoelig. Tot voor kort was een handtekening op het presentieregister voldoende om voor de reisvergoeding in aanmerking te komen. Leden die in Brussel een appartement hebben, konden zo in aanmerking komen voor reiskosten tussen het 'huisadres' in de lidstaat en Brussel of Straatsburg. Per 3 november moet echter een boarding pass of treinbiljet overlegd worden of moet de afgevaardigde een verklaring ondertekenen dat met de auto is gereisd. Maar wie zal controleren of een parlementslid met de auto uit Oostenrijk naar Straatsburg is gekomen en niet uit Brussel en wie zal controleren of een parlementslid de auto gedeeld heeft met een collega?

Vaak profiteren - aldus critici - juist de 'rijke' Europarlementariërs van de regelingen. Neem de pensioenregeling. De meeste afgevaardigden ontvangen van hun regering een pensioen dat gelijk is aan dat van hun collega's in het nationale parlement. Voor Nederlandse Europarlementariërs komt dat - als acht jaar in het Europarlement is gediend - neer op een jaarlijkse toelage van ongeveer 34.100 gulden, zo'n 2.800 gulden per maand. Fransen en Italianen echter hebben een andere regeling die in de ogen van het Europees Parlement inferieur is aan die voor de nationale parlementariërs. Daarom heeft het Europarlement voor de afgevaardigden uit die twee landen een apart pensioenfonds opgezet, waarvoor in de begroting van 1997 4,6 miljoen ECU (ongeveer 10 miljoen gulden) werd gereserveerd.

Hoe genereus dat pensioenfonds is, blijkt uit een vergelijking van de Italiaanse Europarlementariërs met de Griekse. De Italianen ontvangen een schadeloostelling die meer dan drie keer zo hoog is als die van de Grieken - 8.693 ECU (19.124 gulden) tegenover 2.562 ECU (5.636 gulden) - en zouden dus van hun schadeloostelling zelf een goed pensioen kunnen financieren. Daarnaast ontvangen ze in Italië zelf ook een pensioen. Toch mogen de Italianen wel uit het speciale potje van het parlement trekken, maar de Grieken niet.

Mede voor de Italiaanse afgevaardigden besloot het Europees Parlement in 1991 tot de oprichting van nog weer een nieuw pensioenfonds, waar alle leden (dus niet alleen de Italianen en de Fransen) zich vrijwillig bij zouden kunnen aansluiten. Leden van dit fonds die ten minste vijf jaar een bijdrage hebben betaald, genieten na ambtsbeëindiging bij het bereiken van de zesigjarige leeftijd een pensioen van tussen de 17,5 procent (ongeveer 1.092 ECU, 2.400 gulden) en 70 procent (4.159 ECU, 9.419 gulden) van een bedrag dat gelijk is aan veertig procent van de basisbezoldiging van een rechter van het Europese Hof van Justitie. Ook deze regeling, die op initiatief van Nederlandse Europarlementariërs door de Europese Rekenkamer tegen de loep zal worden gehouden, heeft gevolgen voor het inkomen. Zo betaalt het lid zelfs 748 ECU (ongeveer 1.600 gulden) per maand, terwijl het parlement 1.495 ECU (ongeveer 3.200 gulden) per lid bijdraagt. Per afgevaardigde wordt dus maandelijks zo'n 5.000 gulden aan premie betaald. Toen vorig jaar bleek dat het fonds, dat in 1991 werd opgericht maar geantedateerd werd naar 1989, met een groot actuarieel tekort zat, sprong het parlement bij met 3,5 miljoen ECU (ongeveer 7,7 miljoen gulden) uit het budget voor Zweedse en Finse tolken.

De vraag is of nationale parlementen in afwachting van een Europees statuut actie kunnen ondernemen om meer doorzichtigheid te krijgen in het vergoedingensysteem van het Europarlement. Ze zouden kunnen besluiten de band tussen de schadeloosstelling van nationale parlementariërs en leden van het Europarlement te verbreken. Zo besloot de Tweede Kamer eerder een eigen salarisverhoging niet van toepassing te verklaren op Europarlementariërs wegens hun ruime onkostenvergoedingen. De Kamer zou ook kunnen aandringen bij de regering om te ijveren voor het statuut. En ze zou de regering opdracht kunnen geven in de Europese ministerraad de begroting van het parlement aan de orde te stellen. Er bestaat een gentlemen's agreement tussen de Europese instituties om zich niet met elkaars budget te bemoeien. Maar niets belet de regeringen die overeenkomst op te zeggen.