Een onafzienbare witte vlakte

Ik drink mijn koffie. Het wordt donker. Lichten deinen in de masten van viskotters en buitengaats vervaagt de horizon. In de verte zie ik de dijk die het eiland van het Wad scheidt. Van die kant kwamen gewoonlijk de vliegtuigen. Ze overvielen je nooit, altijd hoorde je ze komen, een diep, aanhoudend brommen.

Het kwam van heel ver. Je spitste je oren. Je dacht dat je je vergist had. En dan nog kwamen ze. Adembenemend, dreigend en ziedend van woede. De Duitse vloot aan de overkant - in de haven van den Helder - was het doelwit. Daar kwamen ze op af. Aan de horizon kon je de kabelballonnen zien, die als zeppelins boven de oorlogsschepen hingen om jagers te verhinderen duikvluchten uit te voeren, waarbij ze de motor afzetten en geruisloos - als hielden ze de adem in - naar beneden gleden. Soms kon je de piloot onder het glazen dakje van de cockpit onderscheiden.

“Kan ik hier ergens overnachten?” vraag ik het meisje dat me de rekening brengt. “Sinds de boot uit Den Helder hier niet meer aanlegt, zijn de hotels verdwenen, meneer. U kunt het in de pastorie naast de kerk proberen.”

De keer dat ik in Oudeschild overnachtte, dateert van jaren her. Het was winter, de laatste van de oorlog. Alles lag onder de sneeuw. Mijn vader was al van het eiland vertrokken. Mijn moeder, mijn broertje en ik zouden volgen. We woonden sinds enkele maanden in een dorp verder landinwaarts. Op een ochtend stond in alle vroegte een sjees voor de deur. Het paard van de groenteboer was ervoor gespannen. Er werden koffers ingeladen en een sleetje zonder ijzers om onderweg de bagage te vervoeren. Wij namen plaats onder de kap - die aan de voorkant open was - en trokken een gerafelde deken over onze knieën. De groenteboer klom op de bok, zei 'Huuh!' tegen het paard en nog een keer 'Huuh!' en stapvoets namen we afscheid van het dorp dat niet veel meer was dan duisternis rond een kerk en wat huizen.

We gingen op weg naar Oudeschild. Vandaar zouden we oversteken naar het vaste land. Op het strand had ik vaak dromerig staan kijken naar het silhouet van de boot die onder een in de hemel verwaaiende rookpluim op weg was naar zijn verre bestemming. Nu zouden we aan boord gaan! We hadden het dorp amper verlaten of het paard stond stil. 'Huuh!' brulde de groenteboer en nog eens 'Huuh!' Een onafzienbare, witte vlakte lag in de ochtendschemering voor ons. Het paard verroerde zich niet. 'Huuh!' Het paard deed twee stappen en stond weer stil. 'Huuh!' De groenteboer sloeg met de leidsels. De rug van het paard en de hals met zwarte manen bleven onbewogen. De groenteboer klauterde van de bok en nam het paard bij het hoofdstel. Samen stapten ze voorwaarts zoals het paard waarschijnlijk bij het venten van huis tot huis gewoon was. Toen begonnen ze getweeën te draven. De groenteboer maakte van de gelegenheid gebruik om op de bok te springen. Hij zat nauwelijks of het paard stond stil. 'Huuh!' De viervoeter bleef even onbewogen als het ons omringende landschap. De groenteboer kwam opnieuw van de bok om zijn paard bij het hoofdstel te nemen. Maar telkens als hij het tot een een drafje had verleid en op de bok sprong, stond het paard stil. Wij zaten onder de kap, een tiental kilometers voor de boeg. Een koude wind kwam uit het oosten. Achter ons kon ik het dorp nog zien liggen. Ik hoopte vurig niet terug te hoeven naar het huis waar de avonden zo duister waren dat ik op een keer in het gapende trapgat was gestapt en naar beneden gestort om hulpeloos te blijven liggen aangezien iedereen naar de kelder was gevlucht in de veronderstelling dat er een bom insloeg.

De tijd begon te dringen. De boot zou om negen uur vertrekken. De groenteboer draafde moedeloos naast zijn paard om dan weer stapvoets op adem te komen. Ik hoorde hem hijgen. De damp sloeg van hem af. Het paard volgde sullig met de oren in zijn nek. De hoge wielen banjerden door de sneeuw. De wind woei ons tegemoet.

Zo kwam de karavaan ten slotte de kade van Oudeschild opgedraafd. De boot die al enige tijd achter de huizen zichtbaar was - hoera, niet te laat - maakte zich juist los van de wal. Mijn moeder sprong uit de sjees. 'Hooh, hooh!' riep ze uit alle macht en zwaaide met beide armen. 'Hooh, hooh!' riepen de matrozen - die bezig waren de losgegooide trossen binnen te halen - en zwaaiden terug. Vol bewondering zag ik het statige schip ons de kont toekeren. 'Marsdiep - Fa. Doeksen' stond erop.

In de pastorie naast de kerk is alles duister. Ik besluit terug te gaan naar Amsterdam. Op de boot zie ik weer voor me hoe we enkele dagen later in Den Helder aankwamen. Het dooide. Het sleetje was waardeloos. Mijn broertje en ik sleepten het met de bagage over de keien. We hadden haast om de trein te halen. Maar ik zag de oorlogsschepen nu in het echt en sporen van de bombardementen die ik zo gretig vanuit de verte had gevolgd. Eindelijk zaten we er middenin! Bij het station bekeek een Duitse soldaat onze papieren. Er was iets niet in orde. Hij schreeuwde tegen mijn moeder. Toen ze iets probeerde in te brengen, gaf hij haar een klap in haar gezicht. Ik had nooit gedacht dat iemand dat zou durven. Het hoorde misschien bij de oorlog. Het was het ergste dat me overkwam. We deden er nog drie dagen over om Amsterdam te bereiken.