De BBC censureert zichzelf

Auntie - the inside story of the BBC, BBC1, 23.00-0.05u.

Grote geheimen zullen er niet worden onthuld in de documentaire serie Auntie - the inside story of the BBC, die vanaf vanavond door de BBC wordt uitgezonden ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan.

Maar kritiekloos is de reeks evenmin, al was het maar omdat het jubileumproject met opzet is uitbesteed aan een 'onafhankelijke' productiemaatschappij die vrij toegang tot de archieven had. En wat daaruit te voorschijn kwam, zorgt op zijn minst voor een paar nuancerende kanttekeningen bij de doorgaans als glorieus en smetteloos afgeschilderde geschiedenis van de Britse omroep.

Zelf hebben de makers al in de publiciteit gebracht dat de oprichting van de BBC in 1922, voornamelijk werd veroorzaakt door een hardnekkige lobby van fabrikanten van radiotoestellen. Voor de verkoop van hun apparaten was het immers van groot belang dat er binnenlandse programma's werden uitgezonden (In ons land ging het niet anders; hier was het de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek in Hilversum die in 1923 om dezelfde reden een eigen omroep oprichtte waaruit later de AVRO voortkwam).

Dat de BBC nooit een echte staatsomroep met inhoudelijke overheidsbemoeienis is geworden, is volgens de eerste aflevering vooral te danken aan John Reith, de eerste directeur. Hij was een gezagsgetrouw man, die bovendien homoseksuele medewerkers en overspelige hetero's ontsloeg, en secretaresses naar huis stuurde als ze geen kousen droegen. Op nationale hoogtijdagen waren de omroepers en nieuwslezers verplicht in jacket achter de microfoon te zitten. En toen het land in 1926 werd lamgelegd door een grote staking, kon de conservatieve regering erop rekenen dat Reith aan de kant van het gezag stond en geen vakbondsleiders voor de microfoon zou halen - het was niet nodig dat de overheid zelf de macht over de BBC overnam.

Hetzelfde gold tijdens de tweede wereldoorlog. Vrijwillig hief de BBC een patriottistische toon aan, met een verbod op 'slow foxtrots'. Alles straalde opgewektheid uit, ook de verslaggeving over de vorderingen aan het front. Pas nu zegt de toenmalige oorlogscorrespondent Frank Gillard met spijt dat hij de luisteraars in 1942 over de slag om Dieppe, die voor de geallieerden zo dramatisch verliep, niet de volledige waarheid heeft verteld.

Wel wierp dat beleid van positivisme en zelfcensuur aanzienlijke vruchten af. “Als Groot-Brittannië de oorlog had verloren,” merkt de historicus lord Bullock op, “zou een deel van de schuld van die nederlaag op de schouders van de BBC zijn neergekomen. Maar aangezien de uitkomst glorieus was, stond de BBC in het middelpunt van de feestviering.” Ook in buitenlandse ogen kwam de Britse omroep zegevierend uit de oorlog. De basis voor de internationale reputatie van de BBC is in die tijd gelegd, suggereren de makers.

De eerste aflevering van de serie bestrijkt de geschiedenis tot en met 1945. In de Britse kranten is inmiddels kritiek geleverd op het feit, dat het slotdeel al in 1987 ophoudt - niet geheel toevallig het jaar waarop John Birt aantrad als de nieuwe BBC-directeur. Veel van de popularisering, die de BBC de laatste jaren onmiskenbaar heeft ondergaan, wordt op zijn conto geschreven. Birt is een manager, voor wie marktaandelen minstens zo belangrijk zijn als kwaliteit. Wat van zijn directieven is uitgelekt, zoals 's mans opdracht aan de redactie van Newsnight om een minder smalende toon aan te slaan, voorspelt dan ook niet veel goeds.

Het antwoord van de BBC was nogal nietszeggend: het aantreden van een nieuwe directeur vormde een 'logische' afsluiting voor de serie, en overigens is het lastig nu al een objectieve samenvatting te geven van de allerrecentste geschiedenis.