Archeologie is een collectieve zorg

In de krant van 22 oktober stond het artikel 'Universitaire archeologie in bestaan bedreigd' van de hand van dr. Louwe Kooijmans, hoogleraar prehistorie aan de Rijksuniversiteit Leiden en directeur van de onderzoeksschool ARCHON. Hierin uit hij zijn zorg omtrent de vrijheid van wetenschappelijk handelen. Deze vrijheid komt zijns inziens onder druk te staan door de invoering van het zogenoemde verdrag van Malta waarin de zorg voor het archeologisch erfgoed vorm wordt gegeven.

De praktische consequenties van de invoering van dit verdrag zijn inderdaad groot en raken ook de archeologen. De archeologie wordt vroegtijdig bij de planvorming betrokken. Archeologen begeven zich in de wereld van de ruimtelijke ordening. Naast de kennis van de archeologie wordt ook kennis van planologische procedures en projectmanagement van belang. Archeologen dienen al die kennis en vaardigheden niet zelf op te doen, er zal eerder sprake zijn van multidisciplinaire werkverbanden.

Maar betekent dit dat hierdoor de wetenschappelijke vrijheid wordt ingeperkt? Wanneer de archeologie zich begeeft in het veld van de ruimtelijke ordening moet zij ook de daarbij behorende spelregels volgen. Zo zal rekening moeten worden gehouden met strakke planning, selectieprocedures, budgetramingen en te leveren producten zoals rapportages.

Dit betekent niet dat het wetenschappelijke gehalte van het werk wordt ondergraven. De wetenschappelijke integriteit van de wetenschapper kan en mag niet worden aangetast, ook al gelden strakkere kaders waarbinnen het werk dient te gebeuren.

In het concrete geval dat Louwe Kooijmans noemt, van een onderzoek dat zijn vakgroep uitvoert bij de aanleg van de Betuweroute, is bijna wekelijks overleg gevoerd. Dit heeft geresulteerd in een contract dat de universiteit van Leiden op initiaitief van Louwe Kooijmans een maand geleden heeft afgesloten. Uiteindelijk is dit in zijn ogen onvoldoende gebleken.

Dit leert ons met hoeveel zorg het proces omgeven moet zijn. De archeologische monumentenzorg kan niet functioneren wanneer de wetenschappelijke fundamenten ontbreken. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig onderzoek (ROB) heeft echter geen afstand gedaan van de wetenschappelijke kant van haar werk zoals Louwe Kooijmans beweert. Integendeel: de ROB probeert als kenniscentrum voor de archeologische monumentenzorg haar wetenschappelijke fundamenten te verstevigen.

Anders dan convenantpartner Louwe Kooijmans beweert, zijn de 'verstoorders', zoals de NS in het kader van de aanleg van de Betuwelijn, wel geïnteresseerd in de archeologie omdat men de zorg voor het archeologisch erfgoed als een colllectieve verantwoordelijkheid ervaart. Het moet ons dan ook van het hart dat wij het betreuren dat Louwe Kooijmans het convenant over de Betuwelijn tussen de NS en de ROB als een monsterverbond betiteld. Ons vertrekpunt is het belang en de zorg voor het archeologische erfgoed en wij nodigen dan ook eenieder uit daarin gezamelijk op te trekken.