Vleeskleurige dingetjes; De audicien

Als je bij Van Haeftens Horophoon over de drempel stapt, verraden kleine flikkerende lampjes dat er bezoek is. Gaat tegelijkertijd de telefoon, dan wordt het helemaal een visuele heksenketel: de boven- en onderlichtjes aan de deurposten flitsen beurtelings enkele minuten. Dat doen ze niet omdat de winkelier doof is, maar om te demonstreren wat er zo al mogelijk is aan hulpmiddelen voor slechthorenden.

De eigenaar, Gerrit Heil, is namelijk audicien - zoiets als een opticien maar dan voor het gehoor. En wel een met een hangsnor, al verzekert Heil dat doven zijn lippen uitstekend kunnen aflezen. Zijn clientèle bestaat deze middag uit bejaarden uit Amsterdam-Zuid: montere heren die op ferme toon converseren, zelfs al is een enkeling verbonden aan een zuurstoffles die hij in een karretje bij zich draagt. Steeds vaker lopen echter ook jongeren de zaak binnen, in de hoop dat Heil een onzichtbaar hoorapparaatje voor hen heeft. Hij moet ze meestal teleurstellen: “Met keiharde muziek kun je je gehoor onherstelbaar beschadigen. Het probleem zit dan in de hoge tonen, terwijl de lage tonen wel in orde zijn. Dat verschil is niet te compenseren met een hoorapparaat. Slechthorendheid overkomt eigenlijk vooral ouderen. Het kan ook aangeboren zijn of ontstaan na een schedelbasisfractuur. Zelfs door het slikken van veel kinine kan je gehoor achteruitgaan.”

Het grootste probleem is dat de kwaal meestal te laat wordt onderkend. Slechts eenderde van de slechthorenden gebruikt een toestel, terwijl zeven procent van de Nederlandse bevolking er één of twee nodig heeft. Heil spreekt zelfs van een taboe: het begint met klagen over de kleinkinderen die onduidelijk praten. Niet gek, want het verlies van de hoge tonen merk je het eerst. De tv gaat harder, tot op een dag de nieuwslezers het gedaan hebben: die praten ook al zo onverstaanbaar. Wie dan nog weigert om een bezoek aan de KNO-arts te brengen, kan in een sociaal isolement raken: de omgeving wordt doodmoe van het constante herhalen - terwijl de hardhorende amper nog antwoord durft te geven, uit angst dat hij de vraag verkeerd heeft verstaan.

“Er zijn evenveel varianten in slechthorendheid als er vingerafdrukken zijn”, weet de audicien, die elke nieuwkomer twee tests afneemt: een toonaudiogram dat uitwijst welk volume bij welke frequentie gewenst is, en een spraakaudiogram dat bepaalt wat de slechthorende uiteindelijk zal verstaan. Daarna maakt hij een afdruk van de binnenkant van de oorschelp, die als mal dient voor het maatoorstukje. De elektronica, het apparaat zelf, wordt in of achter het oor gedragen. De apparaatjes liggen in Heils vitrine uitgestald: vleeskleurige dingetjes die zo non-descript zijn dat je je niet kunt voor tellen dat iemand zich ervoor schaamt.

Voor de allerkleinste, die in het oor worden gedragen, ontstond vreemd genoeg pas belangstelling nadat Nixon er eind jaren zeventig mee in het openbaar verscheen.

Er bestaan ook andere hulpmiddelen voor gehoorgestoorden: lichtsystemen zoals in de winkel aangebracht, en schijven voor onder het hoofdkussen die slapers 's ochtends wakker vibreren. Via infrarood licht kun je de televisie verstaan zonder de volumeknop op vol te zetten. “Voor thuis en in openbare gebouwen zijn er ringleidingsystemen, waarbij een speciale draad langs de plinten wordt gelegd”, vertelt Heil. “De luisterspoel in het hoortoestelletje pikt via inductie het geluid van de radio, televisie of microfoon op.” Ringleidingsystemen zijn te vinden in de meeste bejaardencentra, enkele kerken, een paar schouwburgen en alle crematoria.

Sinds kort zijn de digitale super-hoortoestellen in opmars. Deze geven niet klakkeloos het geluid hard weer, maar onderscheiden eerst toonsoorten (hoog, midden en laag) die vervolgens naar behoeven worden versterkt. “Het zijn zelfdenkende computertjes die tonen plusminus 400.000 keer per minuut analyseren. In lawaaiige omgevingen versterken ze precies wat nodig is als iemand tegen je praat, zonder het achtergrondgeruis. Bovendien zijn ze nauwkeuriger bij te stellen dan de analoge apparaatjes die je met een schroevendraaier moet regelen.” De digitalisering van de techniek zal ertoe leiden dat het assortiment zich verkleint: “Ik denk dat er een paar modellen overblijven die alles in zich hebben en waarbij je gewoon datgene selecteert wat je nodig hebt.” Wie compleet doof is, zal helaas zelfs hier geen baat bij hebben: “Een blinde kan ook niet opeens iets zien als je 'm een bril opzet.”