Pinchas Lapide 1922 - 1997; Verzoener van twee religies

In Frankfurt am Main is vorige week de Israelische theoloog en nieuw-testamenticus Pinchas Lapide op 74-jarige leeftijd overleden. Voor christenen en christelijke theologen was Lapide een van de meest opmerkelijke en invloedrijke joodse theologen.

Als vrijwel geen ander heeft hij bijgedragen aan de joods-christelijke dialoog van na de Tweede Wereldoorlog en heeft hij een groot aandeel gehad in het herstel van de betrekkingen tussen beide religies.

In zijn studies heeft Lapide zich intensief beziggehouden met een joodse interpretatie van Jezus van Nazareth, een rabbijn van twintig eeuwen geleden die door christenen als de 'Messias' wordt beschouwd. Voor religieuze joden is bij rabbi Jezus echter geen sprake van de messias. Hooguit kan de man uit Nazareth die omstreeks het jaar 33 door de Romeinse bezettingsmacht met hulp van een paar joodse collaborateurs ter dood werd gebracht, als een goede rabbijn of een bijzondere profeet worden gezien.

Lapide groeide op in Wenen, waar hij in 1922 werd geboren. Tot 1940 heeft hij in Oostenrijk gewoond. In de jaren '38 en '39 verbleef hij geruime tijd in een concentratiekamp. Kort daarna wist hij uit zijn vaderland naar Palestina te ontkomen, dat toen nog een Brits mandaatgebied was. In de oorlog deed hij dienst bij de Joodse Brigade, een Brits legeronderdeel. Na de oorlog en de Israelische onafhankelijkheidsverklaring in 1948 werd Lapide diplomatiek ambtenaar van zijn land. Gedurende zijn ambtelijke loopbaan studeerde hij behalve theologie ook Romaanse talen in Jeruzalem. Uiteindelijk promoveerde hij in het judaïsme aan de universiteit van Keulen.

Vanaf 1972 was Pinchas Lapide hoogleraar in Jeruzalem, Göttingen, Wuppertal en Frankfurt.

Niet alleen in Duitsland maar ook in Nederland genoot hij grote bekendheid, vooral doordat hij de christelijke lezers van zijn ruim veertig boeken steeds weer voorhield hoezeer het Nieuwe Testament als christelijk heilsdocument doortrokken is van de joodse cultuur en godsdienst. Voor theologen en gelovigen van nu is dat meestal een vanzelfsprekendheid, maar één generatie geleden viel het menig christen nog moeilijk genoeg te erkennen dat Jezus een jood was.

Tot Lapide's bekendste publicaties behoren Is dat niet de zoon van Jozef? (1976), Opstanding, een joodse geloofservaring (1977), Jezus in tegenspraak, een dialoog tussen Lapide en de katholieke theoloog Hans Küng (1977), Hij leerde in hun synagogen (1980) en Was Eva overal de schuld van? (1985). Ook schreef hij over de Bergrede van Jezus, die volgens hem niet - zoals veel christenen doen - als een utopie mag worden afgedaan. De joodse nieuw-testamenticus vond dat deze toespraak van Jezus in het Mattheüs-evangelie wijst op een weloverwogen en realistische politieke opvatting die op het redden van de mensheid is gericht.

Toen de godsdienstwetenschapper, die met zijn vrouw in Frankfurt woonde, zijn zeventigste verjaardag vierde, kreeg hij een gelukstelegram van de Duitse bondskanselier Kohl. Deze prees hem voor zijn inzet voor de dialoog tussen joden en christenen en voor de nieuwe wegen die hij steeds heeft gewezen.

Vele jaren eerder was Lapide ook al tot de slotsom gekomen dat Auschwitz en de stichting van de joodse staat voor joden in dezelfde geestelijke verhouding staan als Goede Vrijdag en Paaszondag voor gelovige christenen.

Tussen het kruis van Jezus en diens opstanding gaapt volgens Lapide dezelfde afgrond als tussen het massale Golgotha uit de Hitlertijd en de nationale verrijzenis van Israel in het jaar 1948.

Zonder de opstanding van Jezus na Golgotha zou er volgens Lapide geen christendom zijn geweest.

Evenzeer zou Auschwitz het einde van het jodendom hebben betekend als het niet tot herstichting van Israel was gekomen.