Oorlam

In 1895 of in 1904 - het jaartal is onzeker - maakte de Nederlandse marine een eind aan een oude, geliefde traditie: het oorlam werd afgeschaft. Niet langer kregen de matrozen op vaste tijden een gratis portie jenever. Je zou denken dat ook het woord oorlam daarmee z'n langste tijd had gehad, maar dat blijkt niet zo te zijn.

Wie het nu nazoekt in digitale krantenbestanden, komt het tientallen malen tegen, zowel voor 'rantsoen jenever' als in de bredere betekenis 'borrel'. Zo dronken de Belgische en Nederlandse ministers van Defensie in juni 1994 een 'oorlam op de vrede' om de integratie van de Nederlandse en Belgische marinestaven te bezegelen. Vooral op schepen, boortorens, ijsbrekers en in havens blijkt er nog om de haverklap een oorlam naar binnen te worden geslagen, maar ook buiten de wereld van getatoeëerde zeebonken komen we het woord af en toe tegen.

Kortom: oorlam is niet dood, het leeft!

De geschiedenis van dit woord is behoorlijk ingewikkeld. In de betekenis 'borrel' is het in 1825 voor het eerst gevonden, bij Willem Bilderdijk. Bilderdijk staat te boek als een genie, maar zijn taalkundige theorieën slaan doorgaans nergens op. Dat geldt ook voor zijn verklaring van de herkomst van het woord oorlam. Hij bracht het op een ingewikkelde manier in verband met het Engelse lunch, maar wist dit totaal niet aannemelijk te maken.

De herkomst moet dan ook heel ergens anders worden gezocht en wel in Zuid-Afrika. Op Kaap de Goede Hoop woonde halverwege de 17de eeuw een grote groep Maleise dwangarbeiders. Men was gewoon alle Hollanders die op de Kaap aankwamen met twee Maleise uitdrukkingen te onderscheiden. Degenen die regelrecht uit Nederland kwamen, doopte men orang baroe datang, 'mens die pas is aangekomen, nieuweling, groentje'. Hollanders die uit Indië kwamen en via de Kaap terugkeerden naar huis, kregen de naam orang lama datang, 'mens die lang geleden is aangekomen, oudgast'. Orang lama datang werd verkort tot orang lama en vervolgens verbasterd tot oorlam.

De tijd die de retourschepen aan de Kaap doorbrachten, werd oorlammentijd genoemd. De matrozen verkochten er allerlei gesmokkelde waar en zetten vervolgens de bloemetjes buiten. In 1889 schreef de Leidse hoogleraar P.J. Veth, die als eerste uitvoerig onderzoek deed naar de geschiedenis van het woord oorlam: “Men ziet hieruit dat de oorlammen [de oudgasten] veelal echte liefhebbers van de flesch waren, en als men zich die tallooze avontuurlijke uitdrukkingen herinnert, die onze in dat opzicht maar al te zeer ontwikkelde volkstaal voor de dronkenschap en hare oorzaak, de jeneverborrel, heeft uitgedacht, zal men het misschien niet ondenkbaar vinden, dat in oorlam de betekenis van borrelaar in die van borrel is overgegaan.”

Anders gezegd: de oudgast zoop als een ketter, daarom werd zijn naam synoniem met 'borrelaar' en vandaar kreeg oorlam behalve 'oudgast' en 'bevaren matroos' de betekenis 'rantsoen jenever' en 'borrel'. Men kan de borrelnaam oorlam dus uitleggen als “borrel zoals de oorlam, de oudgast, er graag een lust”.

Aan boord van schepen werd het oorlam bewaard in het oorlamvaatje, een sierlijk ovaal tonnetje met een koperen kraan en dito banden. Een zekere matroos, Dirk Jan genaamd, beschreef in zijn memoires hoe er aan het eind van de 19de eeuw op schepen met dit vaatje werd omgesprongen: “Wanneer het 'tijd van oorlam' was, 's morgens tegen half twaalf, als de schipper 'handen schoon' ging fluiten, bracht de bottelier eigenhandig het vaatje met zijn onderstel naar het voorschip en schonk daaruit aan elke rechthebbende een klein tinnen bekertje jenever ter inhoud van vijf 'vingerhoeden'. Op een fluitsein en het bijbehorende commando 'oorlam' van den chef der equipage, kwam deze naar voren en had de uitdeeling plaats volgens de scheepsrol, daartoe door den 'rollezer', den helper van den bottelier, afgeroepen. In later dagen geschiedde de uitdeling baksgewijze.”

Bij bijzondere gelegenheden, bijvoorbeeld bij verjaardagen of als de kapitein tevreden was over het werk van de matrozen tijdens slecht weer, werd een extra-oorlam uitgedeeld. Ook het rantsoen jenever dat in Nederlands-Indië aan soldaten werd uitgedeeld, werd in de 19de eeuw oorlam genoemd.

Matrozen dronken niet alleen een oorlam, maar bijvoorbeeld ook een bezaansschootaan of schoot-an. Bezaansschootaan is voor het eerst gevonden in een lijst met Amsterdamse uitdrukkingen die een zekere A.C. de Graaf omstreeks 1890 samenstelde. De bezaansschoot is een lijn waarmee het achterzeil op een schip werd vastgezet. Bij de koopvaardij riep men vroeger bezaansschoot aan! als de matrozen op het achterschip een oorlam konden halen. Ze kwamen daar anders om de bezaansschoot aan te halen. In de Groningse schipperstaal was de bezaansschoot aanhalen omstreeks 1929 een gangbare uitdrukking voor 'een borrel halen'.

De borrelnaam schoot-an of schoot-aan is in 1940 gevonden in het bekende liedje Ketelbinkie van Anton Beuving. Dit liedje bezingt het lot van een Rotterdamse straatjongen. Hij is al zeeziek als ze de haven uitvaren, wordt opgekalefaterd met jenever met citroen, maar sterft uiteindelijk van uitputting op de Stille Zuidzee. Het laatste couplet luidt:

De man een extra mokkie

'schoot-an'

En 't ouwe mens een telegram

Dat was het einde van een

'zeeman'

Die straatjongen uit Rotter-

dam.

Het gratis rantsoen jenever was officieel allang afgeschaft toen Beuving dit schreef, maar na het overboord zetten van dode straatjongens greep men indertijd kennelijk toch even terug op een oude, dierbare traditie.