Ontvangst VS inauguratie tot tweede supermacht; Visie China op VS

PEKING, 27 OKT. Voor China betekent de ontmoeting van president Jiang Zemin met zijn Amerikaanse ambtgenoot, Bill Clinton, de feestelijke inauguratie van China tot tweede supermacht. Chinese bewindslieden en commentatoren zeggen het niet letterlijk maar hun woorden betekenen niet minder.

De Chinese minister van Buitenlandse Zaken, Qian Qichen, zei bij de laatste van de zes ontmoetingen die hij dit jaar met zijn Amerikaanse collega Madeleine Albright heeft gehad, dat de “Chinees-Amerikaanse relatie zonder twijfel de belangrijkste van de 21e eeuw zal zijn”. Het meest herhaalde Chinese cliché van de afgelopen maanden is dat China en Amerika gemeenschappelijke verantwoordelijkheid dragen om vrede en ontwikkeling in de wereld te garanderen. De Amerikanen houden allerlei slagen om de arm. Een hoge diplomaat zei dezer dagen dat er in de multipolaire wereld na de Koude Oorlog geen hiërarchie van bilaterale relaties meer bestaat. En van de Chinese rol in de vredeshandhaving zijn de Amerikanen vooralsnog niet al te diep onder de indruk.

De Chinezen zijn er grootmeesters in hun eigen belangrijkheid te etaleren (de buitenstaander mag er naar kijken maar geen vragen stellen), hoger profijt te trekken van de omvangrijke bilaterale economische betrekkingen dan de Amerikanen en geen gebaren te maken op het gebied van politieke waarden en principes. De enige concessie die de Chinezen hebben gemaakt, is een inperking van hun nucleaire contacten met Iran en andere onheilzame landen, en dat alleen om in aanmerking te komen voor leveranties van meer geavanceerde Amerikaanse nucleaire technologie.

De Chinezen menen dat het bezoek een nieuw tijdperk van vreedzame coëxistentie van landen met verschillende sociale systemen - Amerikaanse kapitalistische democratie en een Chinees hybride mengsel van communisme, kapitalisme en dictatuur - moet bezegelen, waarbij beide systemen zich niet in elkaars interne aangelegenheden mengen. Dit is echter een illusie. De Chinezen worden geobsedeerd door stabiliteit en die is voorlopig onverbrekelijk verbonden met de politieke status quo van de Leninistische eenpartijstaat.

In China's half hervormde communisme bestaat economische vrijheid in ruime mate maar politieke vrijheid niet. Voor de Amerikanen is een duurzame verbetering van de betrekkingen alleen mogelijk als China een meer open, meer liberaal, meer democratisch land wordt. Er zijn tendenzen in die richting, maar sterk zijn die niet. Als er te weinig vooruitgang is, zullen de Amerikanen opnieuw ongeduldig worden en erop hameren dat betere betrekkingen niet alleen gemeenschappelijke belangen, maar ook idealen ten grondslag moeten hebben en steun moeten hebben van de publieke opinie.

China is een gouvernementeel land waar de regering centraal staat. De Chinezen hebben er dan na het grote dieptepunt in de relaties als gevolg van de repressiegolf in 1989 prioriteit aan gegeven de betrekkingen met de Amerikaanse regering te herbouwen en dat lukte aardig zolang president Bush in het Witte Huis zat. De Chinese tactiek was dat de VS met hun steun aan Chinese dissidenten - voor en na het bloedbad - grovelijk gemengd hadden in China's binnenlandse aangelegenheden, en dat China geen aggressor tegen het eigen volk was, maar het slachtoffer van Amerikaanse bullebakkerij.

Vervolgens kwam Clinton die beloofde dat hij de “dictatoren die door Bush verwend waren” hard zou gaan aanpakken. Dat is een compleet fiasco geworden. Het Chinese regime heeft bewezen dat het niet zwicht voor pressie en confrontatie maar juist verhardt en op zijn eigen manier terugvecht. Dat deed het via het grote Amerikaanse zakenleven, dat wel een paar orders kreeg maar ook de waarschuwing dat er veel meer naar Europa en Japan zou gaan als de Amerikaanse regering haar politiek niet zou herzien. Dat bracht Clinton er in 1994 toe om de eis maar in te slikken dat verlenging van de status van meest begunstigde handelsnatie afhankelijk was van verbetering op het gebied van de mensenrechten.

Jiang deed toen zijn eerste verzoek voor een staatsbezoek, dat tot een pragmatische relatie zonder enige Chinese concessie moest leiden en vooral moest bijdragen tot de versterking van zijn positie binnen China. De Amerikanen weigerden hem die eer en boden hem een werkbezoek zonder eerbetoon en fanfare aan, hetgeen hij resoluut afwees. Het compromis was toen dat Clinton en Jiang elkaar zouden ontmoeten tijdens de vijftigste verjaardag van de Verenigde Naties in New York in oktober 1995.

Inmiddels waren de betrekkingen door een veel ernstigere crisis gegaan, als gevolg van het onofficiële bezoek dat president Lee Teng-hui van Taiwan aan zijn oude universiteit, Cornell in Ithaca, New York had gebracht. Clinton had aanvankelijk geweigerd Lee toe te laten, maar onder druk van twee Congres-resoluties met 99 en 97 procent meerderheden moest hij zwichten. Lee's 'coup' die door Peking werd beschouwd als een nieuw complot om Taiwan - met heimelijke Amerikaanse steun - formeel onafhankelijk te maken, bracht China maandenlang tot razernij, weergaloze scheldpartijen in de partijmedia en raketproeven ter intimidatie van Taiwan.

Niettemin ging de ontmoeting van Clinton en Jiang in New York door. De spanning escaleerde naar een nieuw hoogtepunt tijdens de campagne voor Taiwans historische eerste presidentsverkiezingen in maart 1996. Een nieuwe reeks Chinese raketproeven en militaire manoeuvres in de Straat van Taiwan leidde tot een Chinees-Amerikaanse schijnconfrontatie. Twee Amerikaanse vlooteskaders onder leiding van vliegdekschepen namen posities in in de wateren rondom Taiwan, maar tegelijkertijd was Jiangs topadviseur voor Amerikaanse zaken, Liu Huaqiu, in Washington. De afloop van de crisis bewees opnieuw het patroon dat de Chinees-Amerikaanse betrekkingen gekenschetst heeft sinds de Korea-Oorlog: de twee zouden elkaar regelmatig confronteren en dicht bij de frontlijn komen maar er nooit overheen gaan.

Twee maanden later, in mei 1996, hield minister van Buitenlandse Zaken, Warren Christopher, zijn nieuwe China-beleidsspeech waarin hij alle tendenzen om China in te dammen of te isoleren afwees. Daarmee begonnen de voorbereidingen voor het staatsbezoek. Jiang zal nu zijn lang begeerde onthaal in het Witte Huis krijgen, maar niet in het Congres. De eerste en laatste Chinese leider die de gezamenlijke zitting van Huis en Senaat heeft toegesproken was mevrouw Chiang Kai-shek in 1944.

De machtige Amerikaanse media, mensenrechtengroepen, kerken en sociale organisaties zullen hem koel, zoniet vijandig ontvangen. Jiang wil de Harvard Universiteit toespreken omdat die meer prestige heeft dan Cornell, waar de Taiwanese president was. Het studentenblad van Harvard, Crimson, heeft Jiang bestempeld als een “boosaardig man die het rijk van het kwaad leidt”. Er kan best het een en ander mis gaan tijdens het bezoek, maar daarvan zullen de Chinese televisiekijkers, nu ongeveer 90 procent van de bevolking, niets te zien krijgen. Die krijgen alleen geknipte, opgesmukte selecties op het zwaar gecensureerde nieuws, waarin hun nieuwe grote leider en de renaissance van China als supermacht worden bejubeld.