Gebrek aan zelfkritiek verlamt politieke vernieuwing

In de discussie over de verkiezingsprogramma's proberen vertegenwoordigers van de grote partijen de schijn op te houden dat de kiezers een duidelijke keuze hebben. Over de belangrijkste terreinen is echter zoveel overeenstemming dat een vierpartijenkabinet in theorie zeer wel mogelijk is, zoals Van Mierlo al heeft opgemerkt. In de presentatie zitten nog accentverschillen, als uitvloeisel van de partijcultuur en de eigen achterban die moet worden aangesproken in herkenbaar partijjargon. Maar bijna alles is onderhandelbaar en overbrugbaar geworden.

Dit geldt ook voor het CDA-programma. Dit heeft nu wel wat meer politieke kleur dan voorheen, met een sterk accent op traditionele prioriteiten als gezin en maatschappelijk middenveld, maar als het op beleid aankomt is er weinig verschil met de rest. Het poldermodel wordt algemeen gekoesterd en over de voorzieningen voor het combineren van arbeid met zorg voor kinderen zal men het ook gauw eens worden. Het traditionele CDA-idee van 'de school aan de ouders' is ook geen punt van discussie meer. D66 wil met het oog daarop de positie van ouders in schoolbesturen aanzienlijk versterken, zowel in bijzonder als openbaar onderwijs. Of het CDA bij kabinetsvorming betrokken wordt, hangt echter van andere factoren af dan het verkiezingsprogramma.

Het enige terrein waar onze consensustraditie niet of nauwelijks werkt, is de organisatie en functionering van onze politiek. Op dit terrein heerst zo'n diepgeworteld conservatisme dat zelfs redelijk klinkende compromissen niet haalbaar blijken. Dit zal waarschijnlijk het lot worden van de introductie van het referendum. De kwaliteit van onze democratie moeten we voortdurend kritisch toetsen, stelt de PvdA in haar ontwerp-programma, maar meer dan heel kleine stapjes ter verbetering van de werking ervan durft men niet meer aan. De enige partij die de moed heeft opnieuw ingrijpende hervormingen op de agenda te plaatsen is D66. Blijkens de eerste reacties daarop worden die weinig serieus genomen.

Dit illustreert opnieuw de politieke zelfgenoegzaamheid, die nu in brede kring heerst. Maar is daar, afgezien van het veelgeprezen poldermodel, zoveel reden voor? Het vertrouwen in politiek en politici is teloorgegaan, de parlementaire democratie verworden tot introverte partijendemocratie die het parlement gedegradeerd heeft tot een partijenvertegenwoordiging waarin geen plaats is voor onafhankelijk denkende politici (tenzij in kleine fracties). Partijen raken vervreemd van hun maatschappelijke basis - minder dan 1 procent van de kiezers is nog actief partijlid - en worden steeds meer onderdeel van het staatsapparaat. Politiek en bestuur komen zo in handen van een gesloten politiek-bureaucratische klasse. Politiek en bureaucratie worden twee handen op één buik. Dit alles is al zo vaak geconstateerd, maar men blijft doen of er niets aan de hand is.

Bij alle politieke drukte over de komende verkiezingen waar we alleen mogen stemmen, maar niet kunnen kiezen door wie en hoe we geregeerd willen worden, verplaatst politieke beslissingsmacht zich onder onze ogen steeds meer van politiek Den Haag naar andere machtscentra zoals Europese instellingen, ambtelijke instanties en daarmee samenwerkende belangengroepen en naar het internationale bedrijfsleven en financieringskapitaal. De macht onttrekt zich zo aan democratische controle.

Op steeds meer terreinen moet Nederland 'op de schop'. Alleen de politiek wordt zoveel mogelijk buiten schot gehouden door een stuitend gebrek aan politieke zelfkritiek. Op bepaalde punten wordt het politieke onderscheid nu weer wat opgeblazen, maar dit gebeurt voornamelijk om electorale redenen. Na de verkiezingen, zo concludeert het hoofdartikel van 21 oktober terecht, worden de echte keuzes gemaakt zonder dat de kiezer daar invloed op heeft. Het soeverein geachte electoraat wordt als drager van een publiek ambt en de eerste orde zo klein mogelijk gehouden.

De enige partij die daar wat tegen wil doen is D66. Zij grijpt daarbij terug op oude voorstellen, maar is dat een argument om daar alleen nog wat lacherig op te reageren? Wat heeft men zelf te bieden om ons verouderde partijpolitieke bestel te vernieuwen? Als ik zie hoe de verkiezingsstrijd zich toespitst op de politieke leiders van partijen, in het bijzonder op de vraag wie minister-president moet worden, dan is een directe verkiezing van de premier niet zo'n buitenissig idee. Het betekent ongetwijfeld een niet geringe inbreuk op onze politieke bestuurstraditie. Dit geldt ook voor het D66-voorstel om de positie van de minister-president te versterken door hem de bevoegdheid te geven andere bewindslieden aanwijzingen te geven. Maar door de Europese integratie en de invloed van de media gaan we toch al steeds meer naar een sterkere positie van de premier toe.

Alleszins het overwegen waard is het D66-voorstel tot vorming van een kernkabinet van zeven à acht ministers, die ieder verantwoordelijk zijn voor een deel van het beleid en samen voor het geheel, en tot uitbreiding en versterking van de Algemene Bestuursdienst. De leiding van de departementen wordt zo de verantwoordelijkheid van onderministers die, evenals de ministers, functioneren onder supervisie van de minister-president. Dit is zeker ingrijpend, maar op die manier kan wel de departementale verkokering van het beleid worden bestreden.

Een revitalisering van onze in het slop geraakte lokale en provinciale democratie is ook dringend nodig. Ook hier valt D66 terug op oude voorstellen als de gekozen burgemeester en een dualistisch bestuursstelsel waardoor de uitoefening van bestuursverantwoordelijkheid onderscheiden wordt van de controle daarop. Maar laat wie daar niets in ziet, dan zelf iets bedenken om het lokale en provinciale bestuur meer politiek profiel te geven. Nu ontlenen lokale en provinciale politici hun mandaat veelal aan een electorale uitspraak, die in hoofdzaak bepaald wordt door een oordeel over de landelijke en niet over de lokale en provinciale politiek. D66 is ook de enige partij die het democratische tekort in de Europese Unie fors wil aanpakken met een aantal voorstellen. Andere partijen klagen hier ook wel over, maar zij komen niet veel verder dan wat verkiezingsretoriek.

D66 onderscheidt zich deze keer opnieuw met politieke ideeën die ons vermolmde partijstelsel nieuw leven kunnen inblazen. De vraag is alleen of die partij na alle teleurstellingen nog voldoende politieke wil en frustratietolerantie heeft om vol te houden.