EU wil met selecte groep over uitbreiding praten

MONDORF-LES-BAINS, 27 OKT. De Europese Unie moet onderhandelingen over toetreding openen met Polen, Tsjechië, Hongarije, Estland, Slovenië en Cyprus. Daarvoor begint zich een consensus af te tekenen bij de EU-lidstaten. Diepgaande meningsverschillen bestaan er echter over de toekomstige relatie met Turkije, dat ook lid wil worden van de Unie.

Dat bleek afgelopen weekeinde tijdens een informele bijeenkomst van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken in het Luxemburgse kuuroord Mondorf-les-Bains. In december moeten de staats- en regeringsleiders formeel besluiten met welke van de in totaal tien Oost-Europese kandidaten begin volgend jaar onderhandelingen worden geopend. Cyprus kreeg die toezegging al eerder.

Aanvankelijk bestond er een kloof tussen Zweden, Denemarken en Griekenland, voorstander van onderhandelingen met alle kandidaten, en anderzijds landen als Nederland en Duitsland die het voorstel volgen van de Europese Commissie om de eerste ronde te beperken tot zes. De standpunten bleken afgelopen weekeinde elkaar te naderen, omdat alle EU-lidstaten inzien dat de kandidaten die buiten de onderhandelingen vallen, extra gesteund moeten worden. “Ik ben ervan overtuigd dat we een bevredigende oplossing vinden in december”, zei de Deense minister Helveg Petersen, die nog eens waarschuwde dat landen die buiten de kopgroep vallen zich “vernederd en buitengesloten” zullen voelen.

Denemarken en Zweden zijn voorstander van onderhandelingen met alle kandidaten omdat ze ook Estland en Litouwen erbij willen betrekken. Griekenland wil Bulgarije niet buitensluiten. Bovendien zou onderhandelen met elf kandidaten - de Oost-Europese landen plus Cyprus - de Europese Conferentie overbodig maken, die is bedoeld om de achterblijvers op te vangen en waaraan volgens veel EU-lidstaten ook Turkije kan deelnemen. Maar Griekenland voelt er weinig voor om Turkije bij zo'n conferentie te betrekken.

Ook Duitsland is zeer terughoudend ten aanzien van Turkije, hoewel minister Kinkel zich zaterdag tegenover de pers niet liet verleiden tot een veto. Hij zei dat er “een duidelijke afstand” bestaat tussen de Oost-Europese kandidaten en Turkije. Duitsland zou een aparte oplossing willen voor Ankara. Kinkel deed zijn collega's een aantal voorstellen om Turkije “op het Europese spoor te houden” op andere manieren dan in een Europese Conferentie, bijvoorbeeld door het aanhalen van betrekkingen op gebied van economie en justitie en door het geld vrij te geven dat de EU Ankara heeft beloofd ter compensatie van de negatieve gevolgen van de douane-unie die vorig jaar van start ging.

Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland zijn vóór deelname van Turkije aan de Europese Conferentie. “Europa moet drie keer nadenken voor het negatieve signalen aan Turkije afgeeft”, aldus minister Van Mierlo. “Het is spelen met vuur.” Zijn Franse collega Védrine herinnerde eraan dat Turkije al in 1963 zijn kandidatuur voor de EU indiende en dat niemand daaraan voorbij kan gaan. Europees Commissaris Van den Broek (Buitenlands Beleid) liet zich gisteren kritisch uit over Turkije, dat de afgelopen weken “Europa's enthousiasme” niet heeft aangemoedigd. Van den Broek reist deze week naar Ankara. De Luxemburgse premier Juncker, nu EU-voorzitter, volgt in november. Volgens een Europese diplomaat wordt Turkije de komende maanden het lastigste onderwerp van de EU.

Een oplossing voor de relatie met Turkije moet vóór december gevonden worden, omdat dan een besluit genomen moet worden over de Europese Conferentie. Behalve over de kandidaten zijn er meningsverschillen over de onderwerpen die in zo'n conferentie besproken moeten worden. Duitsland en Griekenland gaven afgelopen weekeinde aan het nut te betwijfelen van de Europese Conferentie, een oorspronkelijk Frans voorstel. Groot-Brittannië, komend half jaar voorzitter van de Europese Unie, gaat er alvast van uit dat de eerste bijeenkomst op het niveau van staats- en regeringsleiders in februari volgend jaar plaatsheeft.

In Mondorf-les-Bains bleek het besef bij de EU-landen te groeien dat de kandidaten die begin 1998 buiten de onderhandelingen blijven, extra financiële en politieke steun moeten krijgen. Zo niet, dan bestaat het gevaar dat ze steeds verder achterblijven. Minister Van Mierlo stuurde zijn collega's vorige week een brief, waarin hij waarschuwde voor de “politiek psychologische effecten” voor de achterblijvers ('pre-ins' genoemd, om minder te stigmatiseren). Minister Kinkel noemde als grootste zorg dat investeerders de 'pre-ins' de rug zullen toekeren. “Daarom is een begeleidende strategie nodig.”

Over de financiering van de uitbreiding is afgelopen weekeinde nauwelijks gesproken. Alle lidstaten lijken in te stemmen met het voorstel van de Europese Commissie om het plafond van het EU-budget na 2000 te houden op 1,27 procent van het bruto binnenlands product, hoewel Portugal en Spanje dit liefst verhogen. Sommige landen, waaronder Groot-Brittannië, willen het plafond in december vastleggen. Maar dan eist Spanje dat ook wordt toegezegd dat eenderde van het budget wordt uitgetrokken voor de zogeheten structuurfondsen: subsidies voor armere regio's. Nederland is daartegen, omdat het vreest nauwelijks in aanmerking te komen voor structuurgelden en zo zijn ongunstige nettopositie gehandhaafd ziet. Volgens Van Mierlo mag geld in december geen struikelblok voor uitbreiding worden, “Ik trek daarvoor liever meer tijd uit, dan dat er blokkerende situaties ontstaan.”