Eerherstel voor de eclectici

Tentoonstelling: Bouwmeesters van Amsterdam; G.B. Salm & A. Salm GBzn. T/m 30 nov. in Gemeentearchief Amsterdam. Geopend: dagelijks 11-17 uur. Catalogus, 146 blz., ƒ 49,50

De troon van Berlage is aan het wankelen gebracht. Of hij ook werkelijk zal vallen, is nog lang niet zeker. Tenslotte geldt Berlage nog steeds als Nederlands grootste en belangrijkste architect uit de decennia vlak voor en na de laatste eeuwwisseling. Maar als het ligt aan Auke van der Woud, hoogleraar voor de geschiedenis van de bouwkunst aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, zal Berlage moeten afzien van zijn status als enige en grootste wegbereider van de modernistische architectuur in Nederland.

Lange tijd is er naar de 19de-eeuwse bouwkunst gekeken door de bril van Berlage, de architect die in zijn vele publicaties pleitte voor de toepassing van de 'zuivere beginselen van de constructie'. Wat dit precies inhield, heeft Berlage nooit duidelijk gemaakt, vindt Van der Woud, maar het betekende in ieder geval een verwerping van het 19de-eeuwse eclecticisme: de nieuwe tijd vroeg niet om bewerkingen van oude stijlen, maar om een waarlijk nieuwe stijl, gebaseerd op 'eerlijkheid' en 'rationalisme'.

Historici en architecten hebben Berlage's opvattingen over architectuurgeschiedenis vrijwel klakkeloos gevolgd. Algemeen gold de negentiende eeuw als een armzalige periode van verderfelijke neostijlen, die alleen in de vorm van industriële glas- en ijzerconstructies voorafschaduwingen had opgeleverd van het in de twintigste eeuw triomferende Nieuwe Bouwen. Maar met de opkomst van het postmodernisme een jaar of vijfentwintig geleden, groeide ook de waardering voor de negentiende-eeuwse bouwkunst.

In Nederland is Van der Wouds onlangs verschenen boek Waarheid en Karakter het voorlopige hoogtepunt in deze herwaardering. In de catalogus van de tentoonstelling Bouwmeesters van Amsterdam; G.B. Salm & A. Salm GBzn mag Van der Woud zijn pleidooi voor eerherstel van de 19de-eeuwse eclectici nog eens dunnetjes overdoen. De eclectici wilden niet de wereld verbeteren met hun gebouwen, schrijft Van der Woud in de catalogus. In een maatschappij die (ook toen al) steeds individualistischer werd, vonden zij het 'absurd om één collectieve stijl te ontwikkelen'.

Alle stijlen uit het verleden waren voor hen bruikbaar. Dit was volgens de eclectici geheel in overeenstemming met de ook door Berlage gewenste 'waarheid' in de architectuur. “Waarheid eist dat gebouwen met verschillende functies ook een verschillend uiterlijk hebben”, aldus Van der Woud en het gebruik van al die stijlen was een uitermate geschikt middel hiervoor. “Hun losse houding ten opzichte van de geschiedenis was in feite de voorbereiding van de breuk met het verleden die de artistieke avantgardes na 1900 forceerden”, schrijft Van der Woud: de eclectici zijn de vergeten helden van de proto-modernistische architectuur.

De Amsterdamse architecten Gerlof Salm (1831-1897) en Abraham Salm (1857-1915) zijn twee van zulke vergeten eclectici. Het Gemeentearchief, dat onlangs een groot aantal van hun tekeningen, foto's en documenten verwierf, wil ze nu met een mooie expositie over hun werk een plaats geven naast Berlage. Paradoxaal genoeg vormen de prachtige tekeningen en foto's van hun werk een feest der herkenning. Hun namen zijn dan vrijwel zijn vergeten, hun gebouwen niet. Anders dan Berlage hebben de Salmen niet over hun opvattingen gepubliceerd, maar gebouwd hebben ze des te meer. Ze waren de succesarchitecten van het laat negentiende-eeuwse Amsterdam dat eindelijk tot industriële bloei was gekomen en explosief groeide.

Iedere Amsterdammer kent dan ook wel een paar van hun tientallen woningen, fabrieken, kerken en kantoren. Zo werd het neo-Romaanse Paradiso in 1879 door vader G.B. Salm ontworpen als kerkgebouw voor de Vrije Gemeente. In hetzelfde jaar tekende hij met zijn zoon het klassieke Aquarium van Artis, de dierentuin waarvoor zij ook andere dierenverblijven voor hun rekening namen. Opvallend is ook hun vroegere paardentramremise aan de Amstelveenseweg, die het affiche en de omslag van de catalogus siert. Op de expositie wordt dit gebouw stilistisch gecategoriseerd als 'chaletstijl', maar het doet met zijn pedimenten boven de ramen en rijke, gekleurde versieringen toch eerder denken aan een oefening in traditioneel Russische houtarchitectuur.

De Russische remise geeft aan hoe divers de stijlen waren die de Salmen gebruikten. Van renaissance tot gotiek, van barok tot romaans - de Salmen, en dan vooral zoon Abraham Salm die was opgeleid in Parijs, de bakermat van het eclecticisme, hadden geen vaste esthetische voorkeur. Vaak maakten zij verschillende varianten van één gebouw waaruit de opdrachtgever dan kon kiezen. In sommige gevallen mengden zij verschillende stijlen, zoals in de Keizersgrachtkerk die wel een 'rapsodie van stijlen' is genoemd.

Maar het bekendste gebouw op de tentoonstelling is opmerkelijk stijlvast, althans van buiten. De rijk versierde gevel van het zogenaamde Loire-paleisje aan de Herengracht wordt geheel beheerst door de François-I-stijl. Maar binnen barst het feest van het eclecticisme los: de kamers, die onlangs door het RIOD werden betrokken, zijn afwisselend in de stijl van Louis XVI en de Hollandse en Duitse renaissance. De badkamer is zelfs Moors en in de tuin staat nog een romantisch-gotisch tuinhuis.

Toch lijkt het alsof de overtuigde eclecticus Abraham Salm tegen het einde van zijn leven langzaam werd gegrepen door de geest van Berlage. Zijn werk werd soberder en ging steeds meer kenmerken vertonen van de Wiener Sezession, de stijl die toen als eigentijds gold. Of deze tendens zich zou hebben doorgezet als zoon Salm niet op 57-jarige leeftijd was overleden, valt natuurlijk niet te zeggen. Maar blijkbaar was de overtuigingskracht van Berlage toch zo groot dat zelfs Salm, de Amsterdamse koning van het eclecticisme, ging twijfelen aan de juistheid van zijn opvattingen.