Een fervent bidder

Kardinaal A.J. Simonis: Op de adem van het leven. 141 blz., Uitgeverij Kok, ƒ 34,90

Het hoogste gezag in de Nederlandse katholieke kerk is een fervent bidder, zo blijkt uit het vorige week verschenen boek 'Op de adem van het leven' van aartsbisschop Simonis.

Om te beginnen doet Simonis bij het opstaan een paar schietgebeden en ook wel mediteert hij een kwartier. Daarna komt de eucharistie, gevolgd door tien minuten gebed in stilte. Plus elke dag drie kwartier brevieren op de gang in zijn huis aan de Utrechtse Maliebaan. 's Avonds, tijdens een wandeling buiten, bidt hij dan nog de rozenkrans. En bij de maaltijden klinkt steevast het Onze Vader. Je vraagt je af hoe Simonis bij dit intensieve gebedsleven nog de tijd vindt om de Nederlandse kerkprovincie te besturen.

Simonis omschrijft bidden als je hart verheffen tot God, ontvankelijk zijn voor het mysterie, met open handen voor God verschijnen. “Bidden kun je qua houding op verschillende manieren: staande, knielende, zittende. Zelf heb ik gemerkt, dat ik met open handen in mijn schoot innerlijk het meest ontvankelijk ben. Je verschijnt zo voor God als ontvangende, als een smekeling”, schrijft hij.

Knielen is zeer zinvol, zegt Simonis, om er meteen bij te zeggen dat langdurig knielen slecht voor je knieën kan zijn, zeker op oudere leeftijd. “Maar Onze Lieve Heer zal daar best begrip voor hebben.”

Na de publicatie van zijn proefschrift in 1966 over het Johannes-evangelie is 'Op de adem van het leven' het tweede boek van de kardinaal. Hij schreef het min of meer ter gelegenheid van zijn veertigjarig priesterjubileum. Het boek, in gesprekken met een redacteur van uitgeverij Kok tot stand gekomen, is een lange bespiegeling over het bekendste gebed in het christendom, het Onze Vader. Hoewel Simonis zijn boek nadrukkelijk presenteert als niet meer dan een verzameling losse gedachten, weet hij toch veel diepzinnigs over dit vrij korte gebed te berde te brengen. De kerkvader Tertullianus typeerde het Onze Vader als de samenvatting van het hele Evangelie, Simonis spreekt van het hele Evangelie in een notendop, en inderdaad lijkt het wel of de complete godsdienstbeleving van Simonis van dit gebed afkomstig is.

Wat het meeste opvalt aan dit boek is, niet helemaal verrassend, de overgave van Simonis aan zijn geloof. In iedere uitleg van een regel uit het Onze Vader geeft Simonis zo'n samenhangend beeld van een op zichzelf toch niet onproblematische godsdienst, dat je voortdurend de neiging krijgt om hem bij te vallen, het gezegde te beamen. In dat opzicht doet het boek denken aan het boek van de paus, Op de drempel van de hoop, ook al zo'n vroom geschrift.

Simonis toont zich in zijn bespiegelingen een waardig verdediger van de vrijheid van de mens tegenover zijn Schepper. God is bij Simonis niet iemand die de mens als een marionet aan touwtjes heeft hangen, maar letterlijk Onze Vader, die op de mens rekent zoals een vader intens kan rekenen op zijn kinderen. “God heeft ons een zeer hoge status gegeven. Oneerbiedig gezegd, we zijn een verlengstuk van Hem.”

Interessant is Simonis' opvatting over de zin van het lijden, een bron van ergernis voor wie in dit standpunt van de kerk iets van onbarmhartigheid ziet. Simonis legt uit, sprekend over de gebedsregel 'Uw wil geschiede', dat God het lijden in de wereld niet heeft gewild maar dat dit lijden een gevolg is van de menselijke opstandigheid, van het chronisch tekortschieten, van de erfzonde. “Ziekte is geenszins de wil van God. Maar door de zonde is er een barst in de schepping gekomen en daarom worden we geconfronteerd met ontluistering, verval, dood.”

Wat we in droevige omstandigheden het beste kunnen doen, redeneert Simonis, is proberen het lijden te transformeren tot een manifestatie van de opperste liefde. Wat hij hiermee bedoelt is niet helemaal duidelijk.

Simonis is overigens de eerste om te erkennen dat het relativeren van het lijden niet altijd het gewenste resultaat heeft. Hij vertelt dat hij eens een kinderloze oudere vrouw eraan had herinnerd, kennelijk in een poging haar te troosten, dat veel ouders van hun kinderen toch alleen maar verdriet ondervinden. Ze was verontwaardigd geweest. “Dat mag u nooit meer zeggen. Ik heb toch oneindig veel liever kinderen die mij verdriet bezorgen dan dat ik geen kinderen heb.” De reactie had hem, schrijft hij, verlegen gemaakt.